Waar rook is...

Brandweerlieden zijn helden. Ze pompen kelders leeg, zagen beschonken automobilisten uit hun wrakken en plukken roekeloze poezen uit bomen. Aan de andere kant zijn brandweerlieden net mensen. Net als u en ik willen ze meer poen, minder doen en eerder met pensioen. Het verschil is dat de spuitgasten hun zin krijgen.
Na lang getouwtrek is onlangs bepaald dat de werkweek voor brandweermensen moet worden teruggeschroefd van 54 naar 48 uur. Zodoende is bij de Amsterdamse brandweer een personeelstekort ontstaan. Er zijn 84 nieuwe brandwachten nodig. Naar het schijnt duurt het twee jaar om die te rekruteren en op te leiden. Daarom heeft de brandweer besloten om in de dienstverlening te snoeien. En wanneer er in dienstverlening moet worden gesnoeid, valt vroeg of laat het woord 'Zuidoost'. Twee weken geleden besloot burgemeester Cohen om brandweerkazerne Rudolf aan het Remmerdenplein per 1 april te sluiten. Nu kan het zijn dat het om een goed georkestreerde aprilgrap gaat, maar ik vrees dat hij het meent.
Lees verder en reageer op Amsterdam Centraal.
Natuur vandaag (102)
In Voornes Duin voel je permanent de nabijheid van Rotterdam. De windmolens en kranen van de Maasvlakte piepen er boven de boomkruinen uit. Wandelaars en badgasten spreken er met een betreurenswaardig accent. Maar ondanks zijn ligging aan de periferie van de Randstad ligt Voornes Duin verrassend geïsoleerd. Wie niet over een auto beschikt moet flink zijn best doen om er te komen: de trein naar 010, de metro naar Spijkenisse en van daar de bus naar Oostvoorne of Rockanje. Als je geluk hebt doe je er vanuit Amsterdam drieënhalf uur over.
We hadden geluk, afgelopen week. Op de heenreis sloten trein, metro en bus vrijwel naadloos op elkaar aan. En terwijl het in het noorden bewolkt was of zelfs miezerde, scheen op de Zuid-Hollandse eilanden de zon en konden we, ondanks de felle wind, een groot deel van de tijd zonder jas buiten lopen. Voor het eerst dit jaar. Rockanje ligt nog geen 60 kilometer zuidelijker dan Amsterdam, maar het voorjaar leek er al een stuk verder gevorderd. Langs de weg stonden bloemen en bomen volop in bloei en de wilgen zijn er al flink aan het uitbotten.
Voornes Duin is vooral bekend om zijn vogelleven. Zo'n tweederde van alle Nederlandse broedvogelsoorten nestelt in het gebied. Dat is vooral mooi te zien vanaf de uitkijkpunten rond de duinmeren, het Breede Water en het Quackjeswater, aan de kop van de Haringvlietdam. Bij het Breede Water troffen we onder meer zeven geoorde futen, brilduikers, slob-, krak-, berg-, kuif- en tafeleenden, grote zaagbekken, kol-, grauwe-, Canadese- en nijlganzen. In de bomen langs het duinmeer heeft zich een aalscholverkolonie gevestigd. Vanaf een duintop zagen we futen baltsen.
Langs het strand en door de modderige duinen zijn we verder geploegd naar het Quackjeswater. Daar huist een lepelaarskolonie op een eilandje midden in de plas. We telden er een stuk of veertig lepelaars, maar we konden maar één kant van het eiland zien. Het is aannemelijk dat er een stuk of zestig, zeventig vogels zitten.
Verder troffen we op het water nog flink wat verschillende eenden waaronder, naast bovengenoemde soorten, ook een topper. Boven de bosrand vloog een buizerd, die werd achtervolgd door een havik. Wat we aan zangvogels gezien en gehoord hebben 'beperkte' zich tot merels, winterkoninkjes, een enkele zanglijster, roodborstjes, kool- en staartmezen, vinken, grote bonte spechten, zwarte kraaien, roeken (een flinke kolonie bij Geervliet) en gaaien. En tjiftjafs, natuurlijk, massa's tjiftjafs. Het was dan ook niet verwonderlijk dat er een sperwer door de boomtoppen knalde.
Uiteindelijk zijn we door de avondschemer langs binnendijken teruggelopen naar Rockanje, waar we een halve minuut te laat kwamen voor de bus naar Spijkenisse. In Spijkenisse misten we de aansluiting met de metro en op Rotterdam Centraal waren we net te laat voor de trein. Ja, Voornes Duin is een prachtig gebied. We kunnen het iedereen aanbevelen. Het moest alleen niet zo'n eind uit de route liggen.
Dubbel feest?

In 1275 verleende graaf Floris V de bewoners rond een dam in de Amstel het recht om tol te heffen. Dit feitje werd opgetekend en zou de geschiedenis ingaan als de oudste schriftelijke vermelding van Amsterdam. In 1975 werd het aangegrepen om het 700-jarig bestaan van de stad te vieren. Ik kan me dat nog net herinneren - ik was vier.
Het moet iets zeggen over de schaal van de festiviteiten dat een jochie van vier, dat nog nooit een voet in de hoofdstad had gezet, zich bewust was van het 700-jarig jubileum van Amsterdam. Of in elk geval zegt het iets over de mediahype rond het feest. In de jaren die volgden had ik steeds het knagende gevoel dat ik iets groots had gemist. Ik troostte me met de gedachte dat ik een herkansing zou krijgen: in 2025 bestaat de stad immers 750 jaar!
Lees verder en reageer op Amsterdam Centraal.
Primitieve driften
Gisteravond zag ik tot twee keer toe een massieve vlucht kolganzen naar het noordoosten trekken. Ik heb er nog nooit zoveel bij elkaar gezien - het waren er duizenden. Het tafereel deed een beetje denken aan die scène uit 'The Longest Day', waar die mof uit het raampje van zijn bunker staat te koekeloeren en opeens de vloot ziet aankomen: 'Die Invasion! Sie kommen!' Afijn, die kolganzen hebben dus de lente in hun kop. Ze voelen een ontembare drift om naar Siberië te vliegen en daaraan geven ze gehoor. Zo zijn ze nu eenmaal geprogrammeerd.
Vanmorgen was ik vroeg op. Ik was van plan om een stukkie te schrijven en daarna de boel eens op te ruimen. Ik ging met een bak koffie achter de machine zitten en peinsde over een onderwerp of een snedige openingszin. Het wou niet lukken. Elke keer dat ik opkeek zag ik op de aanrecht de vaat van gisteren staan. Het was geen grote afwas: een bordje, twee pannen, wat bestek. Maar die vaat zat me dwars. Dus besloot ik om even de afwas te doen. Met schrijven zou het daarna wel goed komen.
Terwijl ik de vaat stond te spoelen merkte ik dat het fornuis moest worden geschrobd. Omdat ik toch bezig was deed ik dat even in één moeite door. Zodoende zag ik dat er nogal wat stof naast de droger lag - moet ik nog verder gaan? U begrijpt: het eind van het liedje was dat ik de hele ochtend als een witte tornado door het huis ben geraasd, met stofzuigers en emmers vol sop in mijn kielzog. Ik klopte de kleden uit, draaide een wasje, dweilde de gang en zette de ramen tegen elkaar open.
Pas toen ik even ging zitten voor een bak koffie begreep ik waar ik mee bezig was. Good heavens, ik was de voorjaarsschoonmaak aan het doen! Dat was me nog nooit overkomen.
Nut en noodzaak van de grote schoonmaak [dat rijmt, onthouden] zijn me altijd ontgaan. Waarom, per slot van rekening, zou je jezelf ieder voorjaar die kwelling aandoen, terwijl je net zo goed kunt zorgen dat de boel in de winter een beetje aan kant blijft? Ik slurpte aan mijn koffie (dat mocht, ik was alleen thuis) en peinsde.
Zou het met het licht te maken hebben? Als de zon in de kamer staat zie je immers al het stof en vuil dat je bij donker weer kunt negeren. Maar juist in de winter valt het zonlicht zo laag in dat alle rotzooi wordt uitgelicht. Die vlieger gaat dus niet op.
Waarom, dus, zouden we juist in de lente de grote schoonmaak doen? Volgens mij is de verklaring eenvoudig. De voorjaarsschoonmaak is van oorsprong bedoeld als paringsritueel. Het is een lage, hormonaal bepaalde drift. Het doet nog het meest denken aan het gedrag van prieelvogels, je weet wel, die kraaiachte vogels uit Australië waarvan het mannetje een tuin van blauwe steentjes bouwt om indruk te maken op het wijfje. Kijk eens wat een keurig huisje ik heb!
Bij mensen is dat soort gedrag niet beperkt tot de mannelijke kunne. Sterker, bij ons zijn het meestal de wijfjes die de aanzet geven tot het ritueel van de voorjaarsschoonmaak. En wee je gebeente wanneer je daaraan als mannetje niet meedoet: dan zal er van paring voorlopig geen sprake zijn.
Over het algemeen slagen wij mensen er vrij aardig in om onze primitieve driften te beteugelen. Daartoe hebben we een heel stelsel van wetten en conventies in het leven geroepen. We betalen netjes voor ons eten, knuppelen onze evennaasten niet neer en bespringen onze wijfjes slechts met wederzijds goedvinden. Uit evolutionair oogpunt zou het dus logisch zijn om ook onze schoonmaakdrift te onderdrukken. Het principe dat daaraan ten grondslag ligt heet beschaving. Het onderscheidt ons van de apen.
Maar bij nader inzien: een chimpansee met een stofzuiger heb ik eigenlijk nog nooit gezien. Op dat punt hebben de apen ons blijkbaar toch ingehaald.
Natuur vandaag (101)
Nog steeds brult de zanglijster in mijn achtertuin 's nachts de hele buurt bij elkaar. Als de buren maar niet gaan denken dat-ie van mij is. In de voortuin staan de hyacinten, narcissen en blauwe druifjes in bloei. Een struik waarvan ik vermoed dat het een weigelia is begint uit te lopen. In de achtertuin bloeit nog altijd de sleedoorn, al is-ie over z'n hoogtepunt heen. Ernaast staat een kleine prunus in bloei.
Afgelopen zondag vlogen, terwijl ik de voortuin stond te wieden, de eerste grutto's over het huis. Maandag zag ik tussen Den Haag en Rotterdam vanuit de trein een ooievaar in de weilanden staan. Dinsdagmiddag heb ik in het Bijlmerpark de eerste tjiftjafs gehoord. Overal in de buurt bloeien de magnolia's en in de slootkanten bloeit het groot hoefblad.
Woensdagnacht hing aan het eind van de straat, waar de stad ophoudt, een muur van nevel. Ommetje gemaakt langs de Hoge Dijk. Land van mist en mest. In de weilanden geluiden van kieviten, meerkoeten, eenden, smientjes (toch nog!) en kikkers in de sloten. Donderdagavond vleermuisjes zien vliegen in het Bijlmerpark. Verder opnieuw het geluid van overtrekkende smienten. Verderop, bij winkelcentrum Reigersbos, zie ik nu al twee weken padden scharrelen.
Over twee of drie weken verwacht ik de eerste visdiefjes en over vijf à zes weken zijn de gierzwaluwen er weer. Als ze al niet eerder komen dit jaar, je weet nooit. We liggen op een ramkoers met de lente.
Bijlmernostalgie
Op 13 december 1966 sloeg burgemeester Gijs van Hall de eerste heipaal voor de flat Hoogoord. Afgelopen december bestond de woonwijk Bijlmermeer dus 40 jaar. Dat feit werd breed uitgelicht in de media en er verscheen een mooi boek van Pierre Heijboer, Wachten op de nachtegaal. Dat boek behandelt de geschiedenis van de Bijlmer aan de hand van de verhalen van bewoners.
Ook in Zuidoost zelf werd het veertigjarig bestaan van de wijk gevierd: het stadsdeel bracht een folder uit en op het stadsdeelkantoor werd een heuse tentoonstelling ingericht. Grootschalige festiviteiten bleven uit, maar het kan zijn dat het stadsdeel daarmee wacht tot 25 november 2008. Op die datum is het namelijk precies veertig jaar geleden dat Truus en Kees Copray, de eerste bewoners van de Bijlmer, de sleutels van hun flat op Hoogoord kregen.
Lees verder en reageer op Amsterdam Centraal.
Natuur vandaag (100)
Jawel: 100! We hebben een jubileum!
Terzake nu. Al sinds half december zijn de merels in Zuidoost van mening dat het voorjaar is. Niettegenstaande het feit dat het stikdonker is beginnen ze al om vier uur 's morgens aan hun dawn chorus. Daar heb ik een tijd wakker van gelegen. Niet alleen van het lawaai, ook van de gedachte dat een zichzelf respecterende merel pas in april of mei zo'n misbaar hoort te maken.
Toen ik aan de Admiraal de Ruijterweg woonde sliep ik zonder enige moeite door het geluid van auto's, trams en pneumatische hamers heen. In Hilversum denderden de hele nacht goederentreinen langs, hoewel die af en toe werden overstemd door het kabaal van brandweerwagens in de Beatrixtunnel. Ik sliep als een prins. In Zuidoost heb ik merels. Veel merels. En daar lag ik tot eergisteren wakker van.
Niet dat ik sinds eergisteren veel beter slaap - om de dooie dood niet. Maar net nu ik een beetje aan de merels begon te wennen hebben ze gezelschap gekregen van een zanglijster. Een zanglijster, moet je weten, produceert ongeveer twee keer zoveel herrie als een merel. Bovendien is de zang van een merel nog enigszins beschaafd. Vergeleken met de merel is de zanglijster een soort hooligan.
Waar de merel een eindeloos gevarieerd liedje afdraait, produceert de zanglijster een reeks repetitieve geluiden in series van drie. Twi-duu! Twi-duu! Twi-duu! Diederik! Diederik! Diederik! Krr! Krr! Krr! Iehie! Iehie! Iehie! Enzovoorts. Dat alles doen ze met het volume van een opstijgende 747. En het ergste is dat de merels allemaal ver weg zitten. De zanglijster zit in mijn bloedeigen sleedoorn. Maar goed, wie weet heb ik straks een nestje zanglijsters in mijn tuin, dat is toch ook leuk. De windbuks blijft dus nog even in de kast.
Alle slapeloosheid ten spijt ben ik afgelopen zondag weer eens gaan wandelen. Met Thijs ditmaal, in de Bovenmeent. Het is een leuke tijd om uit vogelen te gaan. De wintergasten zijn nog niet allemaal vertrokken, de eerste zomergasten stromen binnen en je komt de nodige doortrekkers tegen.
Zo troffen we al meteen aan het begin van de wandeling een ruigpootbuizerd, die traag boven de bosrand cirkelde. Twintig meter daarboven hing een gewone buizerd, die de indringer nauwlettend in het oog hield. In de weilanden hokten kol-, brand-, grauwe- en Canadese ganzen. Hier en daar schoof een grote zilverreiger door het beeld.
Voorts: nonnetjes, grote zaagbekken, berg-, kuif-, krak- en wilde eenden, een paar plukjes kieviten, een torenvalk, een sperwer, een stuk of wat grote bonte spechten, twee rietgorzen en (uiteraard) het gebruikelijke mezen-, lijsters-, vinken- en kraaienspul. Geen hele spectaculaire dag, wel een mooie. Compleet met een bleek zonnetje.
Vanavond in de Bijlmer trokken de smienten in zulke grote massa's over dat ik moet aannemen dat ze morgen of overmorgen allemaal vertrokken zijn. Hetzelfde geldt voor de kolganzen, die en masse in noordwestelijke richting trekken.
In de tuin bloeit de sleedoorn (maar dat had ik geloof ik al eens gezegd), en naast de sneeuwklokken, de krokussen en de narcissen staan nu ook de eerste hyacinten in bloei. En natuurlijk fladderen hier en daar al vleermuizen rond.
Nog zes weken, mensen. Misschien nog wel minder. Maar wat ik je brom: over zes weken zijn de gierzwaluwen er weer.
Zondag in Zuidoost

Het is amper meer voor te stellen, maar vijftien jaar geleden was Amsterdam op zondag uitgestorven. Op de Nieuwendijk kon je een kanon afschieten. Wie van de Munt naar de Dam wilde, fietste gewoon door de Kalverstraat. Om vers brood moest je naar de joodse bakker in Zuid.
Die zondagsrust is, met algemene instemming, ten prooi gevallen aan de 24-uurseconomie. Toegegeven: hier en daar hoor je nog wel eens wat orthodoxe christenen mopperen, maar hun dorpsgenoten ontvluchten massaal de zondagse beklemming. Op naar Amsterdam! Elke week staan ze in een lange file voor de parkeergarage van de Bijenkorf. In de koopgoot kun je over de koppen lopen. Blijkbaar wordt verveling aanvaardbaar als je er geld bij kunt uitgeven.
Lees verder en reageer op Amsterdam Centraal
Oeps...
Dan baal je!
1 maart

't Is 1 maart, het begin van de meteorologische lente. En kijk eens aan: mijn sleedoorn staat schitterend in bloei. Stilletjes hoop ik dat het ophoudt met waaien, zodat ik er nog een beetje langer van kan genieten. Als het toch geen winter meer wordt, laat dan het voorjaar maar komen!
|
|
|