Natuur vandaag (114)
Het begon goed afgelopen zondag, tussen Breukelen en Kockengen. Het gebeurt immers niet elke dag dat je een zwarte stern achter een sperwer aan ziet jagen. Verder was het aan de zweterige kant. Bij Kockengen hebben we uitgebreid kunnen kijken naar de zwarte sternenkolonie, en naar een bruine kiekendief in het rietland er tegenover. In een café in Kockengen zelf voerden we een interessant gesprek met de dorpsgek en zijn plaatsvervanger. De dorpsgek waarschuwde ons alvast: 'God zet alle dingen stil!' In Kockengen is Hij daarmee al een flink eind gevorderd, overigens.
Vlak voordat het al te David Lynch-achtig werd zijn we vertrokken, in de richting van de Hollandse Kade. De regenwolken, die van licht- via loodgrijs inktzwart waren geworden, ontlaadden zich exact toen we geen kant meer op konden. Uiteindelijk vonden we beschutting onder een wilg.
Toen het weer enigszins opdroogde zijn we doorgelopen richting Woerden. Langs de Hollandse Kade scharrelden nog een paar scholeksters en grutto's met jong, in de lucht hingen leeuweriken, voor ons uit fladderden troepen groenlingen, vinken en voor zover ik me herinner een paar putters. Ook voor de rest hebben we erg van de natuur kunnen genieten: omdat de Hollandse Kade er verlaten bij lag hadden we al het stekende en bijtende gespuis voor ons alleen.
Hoewel het de bedoeling was om door te lopen naar Woerden zijn we gestrand in Putkop, ter hoogte van het Wokpaleis. Voordat u denkt dat we daar gegeten hebben: nee. Voor wie werkelijk trek heeft is het Wokpaleis van alle gemakken voorzien. Zo is er voor de deur een prachtige bushalte, waar ieder uur een bus naar Utrecht stopt. Die hebben we dan maar genomen.
Natuur vandaag (113)

Vorige week hebben we een fraaie voorjaarswandeling gemaakt door het achterland van Amsterdam. Van mijn huis zijn we langs de Hoge Dijk, het Abcouder Meer, de Holendrecht (voetpontje!) en de Bullewijk naar Ouderkerk aan de Amstel gelopen. In de Hoge Dijk de eerste tjiftjafs van dit jaar gehoord, en bij de Holendrecht de eerste grutto's. Het waren er meteen veel ook: in een stuk ondergelopen land tussen de Holendrecht en de A9 zaten er 100 à 200. Het is lang geleden dat ik er zoveel bij elkaar heb gezien. Af en toe vlogen ze op, een prachtgezicht in het zonlicht.
Verder veel herrie van scholeksters, massa's groenlingen, mezen, merels, zanglijsters, buizerds en de al eerder genoemde tjiffen. Je hoort ook alweer een paar weken de vinken slaan.
Van Ouderkerk aan de Amstel zijn we langs de stille kant van de Amstel doorgelopen. 'Stille kant' was in deze een beetje een relatief begrip: er waren roeiwedstrijden aan de gang en de roeiers (goeiews heten ze officieel, geloof ik) werden luid aangemoedigd door bewonderaars op fietsen en in SUV's. Via de Jan Vroegopsingel en de Utrechtsebrug zijn we naar De Leeuw aan de Vrijheidslaan gekuierd voor een zure haring. En bij Hesp hebben we het eerste terrasje van dit jaar gepikt. Het was nog bitter koud, overigens.
Die wandeling zullen we binnenkort nog eens maken op een minder drukke dag.
Natuur vandaag (112)
Sinds een week of drie word ik 's morgens weer wakker van de zanglijsters. Maar de zanglijster die de afgelopen twee jaar bij m'n buren in de conifeer zat, op tien meter afstand van m'n slaapkamerraam, is blijkbaar verkast. Ik kan niet zeggen dat ik daar erg rouwig om ben.
In de tuin voortdurend gezang van kool- en pimpelmezen, groenlingen, heggemussen, merels, vinken en soms een verdwaalde winterkoning of roodborst. De sneeuwklokjes zijn uitgebloeid, krokussen en vroege narcissen bloeien volop. De eerste witte puntjes zitten in de sleedoorn. De hortensia begint uit te lopen, sommige meidoorns ook al.
Achter de stadsdeelwerf bij de Sneevlietweg zag ik gisteren het eerste groot hoefblad in bloei, de populieren lopen uit, de elzen en berken hangen vol katjes (en vol vogeltjes) en eergisteren zag ik in de avondschemer het eerste vleermuisje fladderen boven het Zuider Amstelkanaal, bij de Minervalaan.
Nu moet het alleen nog 15 graden worden - ik ben er helemaal klaar voor.
Rucola voor nop

Het kan zo z'n voordelen hebben om een tijdje geen onkruid te wieden. Zo is mijn tuin op het ogenblik vergeven van de grote zandkool (Diplotaxis tenuifolia). Op zichzelf lijkt dat vervelend: het is een snelgroeiend onkruid dat zich vrij snel uitbreidt. Maar het mooie is dat grote zandkool een neefje (of nichtje) is van de rucola (Eruca sativa). Ga maar eens buiten zoeken, je vindt er vast wel één. Wrijf het blad tussen je vingers fijn en je ruikt de typische, notige rucolageur - maar dan sterker.
Het plantje is heel goed eetbaar, het wordt (onder de fantasienaam rucola selvatica) zelfs op de markt gebracht als 'wilde rucola'. Het smaakt scherper en peperiger (en wat mij betreft lekkerder) dan rucola. Je kunt er geweldige salades mee maken. Ik heb er net een achter de kiezen, met cherrytomaatjes, gorgonzola en gemalen walnoten. En er staat nog plenty in de achtertuin! Als je je dan bedenkt dat een lullig zakje roekels in de supermarkt anderhalve euro kost, dan luidt het devies: pluk ze de hele dag!
Een gratis tip: vergeet niet om de hauwtjes (de zaadpeulen), als die er nog aanzitten, na het plukken op de grond te gooien. Met een beetje geluk heb je dan volgend jaar nog meer. En nog maar een tip: het spul groeit ook te kust en te keur op straat. Maar daar laat de hele buurt z'n honden uit. Kijk dus uit waar je plukt.
Natuur vandaag (111)

Vorige week zondag met Thijs voor het eerst sinds jaren naar Marken geweest. Hoewel er afschuwelijk boutweer voorspeld was scheen de zon volop. Terwijl we op de bus wachtten hebben we uitgebreid staan turen naar een zwarte roodstaart, die op het dak van 't Centraal zat. Op Marken een rondje om het eiland gelopen, tegen de klok in. Bij het verlaten van 't dorp een kort hagelbuitje, de enige neerslag die we de hele dag hebben gezien. Weilanden vol grutto's, scholeksters, kieviten en tureluurs. Zoiets zie je niet vaak meer. Veel grauwe- en brandganzen, af en toe witte kwikstaartjes, aalscholvers bij de fuiken.
Op het water zwommen nog troepjes smienten, wintertalingen en hier en daar een krakeend. Bij de Rozewerf dobberde zelfs een paartje middelste zaagbekken. Niet veel verderop landde een enorme troep goudplevieren in het weiland, al mooi op kleur. Af en toe vlogen ze massaal op, een geweldig gezicht. Bij een plasje op de oostkant van het eiland scharrelde een paartje kemphanen, het mannetje helaas nog net niet in pracht.
Omdat 't mooi weer was zijn we nog even de strekdam op- en neergelopen, helaas was er niet veel te beleven. (Of het moet zijn dat we er de eerste visdief van het seizoen hoorden en zagen - dat meenden we althans.) Uiteindelijk zijn we aan de haven op een terras terechtgekomen, waar we in de zon hebben zitten pilzen. 't Was zowaar nog warm ook.
Dinsdag met de zaak een uitje in het Amsterdamse Bos gehad. Omdat ik het feestje (mede) had georganiseerd ontkwamen de collega's natuurlijk niet aan een wandeling met de boswachter in de stromende regen. Het was een magnifiek gezicht, al die paraplu's. Genieten! En wat kun je je collega's fijn laten griezelen door een braakbal uit te pluizen! Of we verder nog leuke dingen gezien hebben? Mwôch, holenduiven, boomklevers, grote bonte spechten, wat staartmezen - afijn, het gebruikelijke spul, maar niet veel spectaculairs helaas. Wel weer een paar stukjes daslook opgepeuzeld, toen de boswachter even niet keek. Toen we uitgewandeld waren brak uiteraard de zon door, dat hoort zo. Later (bij het kanoën en waterfietsen...) een paar keer futen op het nest zien zitten, compleet met eieren.
Verleden week heb ik bij mij achter in de Hoge Dijk voor 't eerst dit jaar een koekoek gehoord, maar dat is bij één keer gebleven. En ook de kleine karekieten zijn nog niet terug, al heb ik al wel een boerenzwaluw gezien. (Eén. Okee, dit grapje maak ik ieder jaar. Maar het blijft leuk.) Op de parkeerplaats op 't werk zag (en hoorde) ik verleden week tot m'n verbijstering een groene specht rondvliegen.
En vanmorgen trof ik bij metrohalte Sneevlietweg voor het eerst dit jaar een eend met pullen. Het waren er nog tien, ze moeten dus net uit het ei gekropen zijn. Mij benieuwen hoeveel er overblijven - ik heb op diezelfde plek ook wel eens een flinke rat zien zwemmen...
Te vroeg
Normaal gesproken ben ik de vriendelijkheid zelve. Ik ben zachtaardig, tolerant en sta klaar om willekeurig wie een handje te helpen. Eerlijk: je moet je uiterste best doen om het met me aan de stok te krijgen. Maar voor de zekerheid moet ik benadrukken dat ik hier spreek over normale omstandigheden - en niet over ochtenden.
Lees verder bij Vroege Vogels.
Natuur vandaag (110)

Het kan u nauwelijks ontgaan zijn: het is lente. Het feit dat dat tegenwoordig midden in de winter gebeurt - ik kan me jaren herinneren waarin rond deze tijd Elfstedentochten werden verreden - is iets waarover ik me alleen in de herfst zorgen maak. Het afgelopen weekeinde had ik het te druk met zaken die een verstandig mens in de lente doet: er moest vrij worden genomen, er moest worden gezocht naar stafkaarten, schoenen moesten worden ingevet en trein-, boot- en busreizen gepland. Kortom: er moest worden gewandeld.
Vrijdagmiddag kwam er aan dat hele wandelen geen reis te pas. Ik kuierde gewoon bij mij de straat uit en belandde via Abcoude aan het Gein. Tussen de knoestige bomen voerden mezen en vinken gevechtsmissies uit. Hier en daar hokte nog een laatste troepje smientjes (de afgelopen week heb ik ze 's nachts naar het noorden horen trekken). Op een dikke tak zat een al even dikke buizerd, wat leidde tot paniek onder de Vlaamse gaaien, die honderd meter verderop in een boom zaten.

Hier en daar waaiden typische boerderijluchten voorbij: koeiemest, varkensmest, paardemest en gier. Ik ben lang blijven stilstaan om de kuilgraslucht op te snuiven die van een boerderij aan de overkant van het Gein kwam. Dit tot groot ongenoegen van de waakhond, die me het liefst had willen wegjagen maar geen nat pak wilde riskeren. Ik onderhield me op vriendelijke toon met een paar pony's, ging eens op een passerend bankje zitten en wilde eigenlijk helemaal niet meer naar huis.
Maar ja.
Zaterdagmorgen ben ik in alle ijselijke vroegte opgestaan om met Thijs naar Texel te reizen. Op Centraal, waar we hadden afgesproken, waren we net op tijd om de zonsopgang te zien achter het Mövenpick-hotel. Vanuit de trein hebben we troepen smientjes (die zich aan het verzamelen zijn), de nodige vette buizerds, een sperwertje en nog zo het een en ander gezien.
In Den Helder vanaf de pont (een echte pont ditmaal, de Dokter Oetker lag werkloos in 't Horntje) een zeehond gezien, verder troepjes eiders en een flinke troep overvliegende rotganzen. Hoogwater, daarom bij de Mok niet heel veel te zien. En ook de juveniele grote burgemeester, die nou al een tijdje in Den Helder schijnt te zitten, hebben we niet gezien. Gelukkig zwommen er op Texel wat smientjes in de haven rond en er kropen ook al wat steenlopertjes over het basalt.
Bij de veerhaven de bus gepakt naar de Prins Hendrik (kuifeendjes in het kanaal), van daar doorgelopen naar het hek bij De Schorren. In het ganzenreservaat niet al te veel ganzen, wel een troep fratertjes, wat rietgorzen en, op een heuveltje in het achterveld, een überdikke buizerd. Omdat het juist hoogwater was zat het er stampvol vogels. In het achterland vlogen kanoeten in zulke grote troepen dat het wel een natuurfilm leek. In de plassen zaten enorme hoeveelheden wulpen. Hier en daar foerageerden grutto's, aan de waterlijn liepen vier rosse grutto's en in een plasje sloop een zwarte ruiter rond. Verder veel bergeenden, tureluurs, zilver- en goudplevieren gezien. Boven het rietveld buitelde een blauwe kiekendief - een mannetje nota bene. In het zonlicht lichtte z'n spierwitte onderkant prachtig op. Het blauw op z'n vleugels leek haast geëmailleerd.
Langs de dijk (eiders, scholeksters, steenlopers, tureluurs) afgezakt in de richting van het Wagejot. Daar zat meer eendenspul: smientjes, wilde-, berg- en krakeenden, hier en daar een wintertaling en aan de zuidkant een stuk of wat pijlstaarten. Boven de oever hing een torenvalkje. Verder grauwe- en rotganzen, een troepje van elf brandganzen en een paartje nijlganzen. (Maar die tellen niet.) Op en rond de eilandjes scharrelden steenlopers, bontbekplevieren, scholeksters, wulpen en tureluurs.
In de weilanden verzamelden zich grote troepen rotganzen, min of meer klaar voor de sprong, zou je denken. Maar boven zee zagen we steeds vluchten van vijf tot vijftig rotganzen in zuidelijke richting trekken. Zouden ze iets weten van een ophanden zijnd koudefront dat door onze satellieten nog niet is opgepikt? Op zee zwommen, naast de al eerder genoemde eiders, twee kuifduikers rond. Bij Zandkes Kleiput dobberde een dodaarsje en verscholen de slobeenden zich tussen het riet.
Bij Dijkmanshuizen werd het helemaal fraai. Terwijl we nog niet eens bij de kijkhut waren klapwiekte een heuse slechtvalk voorbij. En vanuit de hut zagen we in een oogopslag een mannetje sperwer en een vrouwtje blauwe kiekendief in de struiken aan de overkant zitten. Daarnaast schoot er een smelleken laag over het riet. Rechtsvoor zaten de obligate vier brandganzen (het zijn er altijd vier op Dijkmanshuizen, nooit meer, nooit minder) en boven ons passeerde een troep van zo'n vijftig kolganzen.

Thijs in Oudeschild, hier nog met hoed...
Bij Ottersaat was het iets rustiger, vermoedelijk ook omdat het inmiddels laagwater was. Dus zijn we maar een terrasje gaan pikken - het eerste van dit jaar - in de haven van Oudeschild. (Vergeet niet om, wanneer u op Texel bent, een Skuumkoppe te drinken. Meer mag ook.) Ten zuiden van Oudeschild dreven op zee nog een zwarte zeeëend* en een vrouwtje brilduiker en er kwam, terwijl het al begon te schemeren, een vlucht regenwulpen over. (Wij verzinnen het ook niet.)
Op de laatste paar honderd meter naar de haven werden we getrakteerd op een ronduit schitterende zonsondergang, compleet met knalrode luchten en een flinterdun maansikkeltje. (Normaal gesproken zie je alleen een sikkel of een schijf, maar door de weerkaatsing van licht vanaf de aarde was deze keer goed te zien dat de maan een grote kogel is, die aan een kant door de zon wordt beschenen. We hebben dat een tijdje door onze verrekijkers zitten bekijken. Het is werkelijk zeldzaam mooi.)

De boot van zes uur hebben we laten gaan om naar de zonsondergang boven de Mokbaai te kijken. Er wordt wel eens beweerd dat de luchten op 'De Schreeuw' van Edvard Munch zo rood zijn omdat bij de uitbarsting van de Krakatau, tien jaar voordat Munch het schilderde, zoveel as in de lucht terecht was gekomen dat de lucht in grote delen van de VS en Europa rood kleurde. De 'geleerden' die dat beweren moeten eens op Texel een zonsondergang komen bekijken en dan opnieuw hun huiswerk doen. Aldus mopperend hebben we ook de boot van zeven uur maar zonder ons laten vertrekken.
Om acht uur lukte het wel. Helaas: onze geweldige dag kreeg een iets minder fraai besluit toen Thijs' nieuwe hoed midden op het Marsdiep het ruime sop verkoos. Dat zal ons leren om niet op de voorplecht van de veerpont die befaamde scène uit Titanic te gaan naspelen. Het moet aan de Skuumkoppe gelegen hebben.
Voor zondag had ik me voorgenomen om 's middags naar de Thomaskerk in Zuid te gaan, waar twee verhalen van Nescio werden voorgelezen. Het is er niet van gekomen. Vriend Eric belde om te zeggen dat hij naar Amsterdam kwam. Of ik zin had om een eindje langs de Amstel te kuieren? Die beslissing was snel genomen. Het voelde een beetje alsof ik spijbelde, maar die gedachte kon ik snel van me afschudden. Immers: wat zou Nescio zelf gedaan hebben op zo'n eerste (nou ja, derde) prachtige lentedag? Precies: die zou een eindje langs de Amstel zijn gaan kuieren. 'Buiten zonder hoed', schreef-i dan in zijn Natuurdagboek. Sorry Thijs.
*) Jajaja stil maar, ik weet dat het zee-eend is. Maar niemand heeft me ooit gevraagd wat ik daarvan dacht. Kom op nou, zeeëend is toch veel mooier?
Natuur vandaag (109)

Had ik eigenlijk al verteld dat Thijs en ik vlak voor oud en nieuw in Zeeland zijn wezen wandelen? Nee? Wel, vlak voor oud en nieuw zijn Thijs en ik van Kamperland naar Arnemuiden wezen wandelen. Dat hebben we in 2003 en 2004 ook al eens gedaan. Het begint een beetje een wintertraditie te worden, al is het er de afgelopen twee jaar helaas bij ingeschoten.
's Morgens vanuit de trein vooral veel buizerds gezien. Het is sowieso een goed buizerdjaar, je vraagt je af waar de torenvalken gebleven zijn. Ik kan me jaren herinneren dat er elke paar honderd meter eentje hing te bidden - of zo leek het. Dit jaar zie je er haast geen een. Van station Oost-Souburg pakten we de bus naar Kamperland. Onderweg nog wat buizerds gezien, en wulpen bij Vrouwenpolder.
Uitgestapt in Kamperland, aan de zuidkant van de Oosterscheldedam. Tot dusverre hebben we iedere keer dat we hier uitstapten vrijwel direct een groene specht gezien, en verdomd: ook dit jaar was hij present. Sterker: nadat hij eerst wat heen en weer fladderde tussen het struikgewas, bleef-ie bijna vijf minuten lang in een grasveldje naar mieren zitten pikken, zodat we hem prachtig konden volgen.
Het weer was, zeker in vergelijking met de afgelopen dagen, vrij zacht, al stond er vooral 's morgens een briesje uit het zuidwesten, waardoor het koud aanvoelde. Vroeg in de middag brak zowaar de zon door, zodat we deze tocht eindelijk eens met mooi weer hebben kunnen maken.
Op zee ten noorden van de Veerse Gatdam dreven vooral veel brilduikers en middelste zaagbekken. In de vloedlijn rende een drieteenstrandloper heen en weer. Eiders, die er normaal gesproken vrij algemeen zijn, hebben we er dit keer niet gezien. Maar wel een grote jager - en dat is opmerkelijk, want die zie je normaal gesproken alleen op volle zee. Het beest vloog rond met de breedgeschouderde motoriek van Winston Bogarde, en probeerde hier en daar om een meeuw zijn prooi afhandig te maken. Zelfs op een grote mantelmeeuw - toch ook geen kinderachtig beest - lijkt zo'n grote jager behoorlijk indruk te maken. Leuk: begin december zagen we bij Callantsoog al een middelste jager, nu, minder dan drie weken later, dus ook een grote.
Bij Vrouwenpolder iets gedronken in een wegrestaurant en daarna het wandelpad langs het Veerse Meer genomen. Op het water veel middelste zaagbekken, krak- en wilde eenden, dodaarsjes, brilduikers, futen en een roodhalsfuut. En er fladderde een ijsvogel voorbij, precies op de plek waar we er in 2003 ook al een gezien hadden. Dit keer konden we hem zelfs goed bekijken, want hij bleef een tijdje poseren op een steiger. Als je goed luisterde kon je 'm horen denken: 'Verhip, die twee gasten heb ik in 2003 precies op deze zelfde plek gezien. 't Zijn toch gewoontedieren.'
Doorgelopen over de dijk naar Veere. Grauwe ganzen in de weilanden, scholeksters en tureluurs op de steigers, steenlopers op het talud, buizerds boven het rietveld langs de dijk. Hier en daar een wulp. Kieviten boven de polder. Puttertjes die de zaadpluimen van distels uitplozen. Op het meer, tussen een troep wilde eenden, een vrouwtje mandarijneend. In het bosgebiedje vlak voor Veere groenlingen, vinken, kool- en pimpelmezen en een grote bonte specht.
Veere zag er, zoals gebruikelijk, uit om op te vreten. Jammer alleen dat alle café's in Veere eruitzien als een soort veredelde Konditorei. (Of er moet ergens een gezellige kroeg zijn die we steeds maar over het hoofd zien - en zo groot is Veere niet.) Toch maar een lokaal biertje gedronken.
Doorgelopen langs het Kanaal door Walcheren. Zeker twintig dodaarsjes op het water voor de sluis. Mooi winters strijklicht op de Grote Kerk van Veere. Aan de overkant van het water eindelijk een torenvalk - de eerste! Verder nog wat klein grut (een ringmus, onder meer) tussen het struikgewas bij een verlaten fabriek. In het recreatiegebied langs het Veerse Meer een enorme wolk staartmeesjes (zeker vijfentwintig) met daartussen wat kool- en pimpelmezen.
Langzaam invallende schemer: het silhouet van Middelburg uitgelicht tegen een knalrode lucht, met af en toe een ontploffende vuurpijl erboven. De laatste kilometers naar Arnemuiden (altijd wel goed voor een steenuiltje, maar deze reis niet), langs de donkere polderweggetjes, waar het bezit van een zaklantaarn of andere verlichting onontbeerlijk is, als je tenminste niet voor je hol wilt worden gereden. Leuke mensen, die Zeeuwen, maar ze rijden alsof de duivel ze op de hielen zit. Zal wel een geloofskwestie zijn.
Op station Arnemuiden, waar de trein eens per uur vertrekt, gelukkig slechts een half uur op het perron hoeven zitten. Het blijft vreemd om in totaal acht uur te reizen voor een wandeling van een uur of zeven. Maar aan de andere kant: het is zeker de moeite waard. Volgend jaar weer.
Natuur vandaag (108)
Vrijdagavond met Jurjen en Jeroen naar New Model Army geweest. Voor de tweede keer dit jaar. Opnieuw geweldig, al hadden ze eigenlijk in de grote zaal van de Melkweg moeten spelen. Op de terugweg de laatste trein genomen naar station Abcoude en van daar naar huis gelopen. De bizarre, dikke laag rijp die al twee dagen overal overheen lag zag er bij donker prachtig uit.
De bomen, het gras, de hekken en het prikkeldraad: alles was voorzien van een wollig vachtje van ijsnaaldjes. In het licht van de bijna volle maan deed het tafereel spookachtig aan. Het deed onwillekeurig denken aan beelden van een vulkaanuitbarsting, wanneer alles bedekt is onder een dikke laag as. Thuisgekomen met tutende oren.
Zaterdagmorgen vroeg opgestaan. De wereld zag eruit als een chocoladeverpakking. Bomen vol rijp, beschenen door de zon. Kan me niet herinneren dat ik dat ooit zo prachtig heb gezien. Naar buiten gelopen met de camera. (Foto's volgen.) Overigens had iedereen die ik tegenkwam een camera bij zich. Er moet afgelopen weekend voor vele terabytes aan plaatjes geschoten zijn. De koolmezen, die op de takken heen en weer hipten, veroorzaakten heuse lawines. Bij het Gein vlogen vijfhonderd tot duizend kolganzen rond in de nevel. Een specht klopte grote brokken ijs uit een els. En het blijft een raar gezicht om in zo'n winters landschap een vlucht halsbandparkieten te zien.
Zaterdagmiddag in het Bijlmerpark wezen wandelen. De goudhaantjes, die ik er eerder heb gehoord, heb ik nu eindelijk ook gezien. Het is niet te geloven: in het hele park staan misschien zeven naaldbomen en hup, daar zijn ze. Later, in de buurt van de Gooiseweg, een groene specht gehoord. Voor het eerst dat ik dat in Amsterdam heb meegemaakt.
Zondagmiddag met de trein naar Venhuizen gereisd. Een enkele schaatser in Waterland. In de weilanden tussen Purmerend en Hoorn, waar het normaal gesproken barst van de smientjes, zaten nu enkel grote troepen ganzen. Vermoedelijk zijn de smientjes uitgeweken naar open water. Vlak voor Scharwoude vloog een vrouwtje blauwe kiek op van de bovenleiding. In Venhuizen blijven pitten. 's Nachts voortdurend geluid van smienten boven het huis. Ze waren er dus wel.
Maandagochtend: West-Friesland zag er mistroostig uit in de nevel. Grote plassen op braakliggende akkers, als vanouds de muffe lucht van rottende koolstronken. Vanuit de trein opnieuw een vrouwtje blauwe kiekendief zien vliegen, ditmaal ten zuiden van Purmerend.
Natuur vandaag (107)
Zaterdag twee weken geleden met Thijs wezen wandelen. Connexxion-busje met betreurenswaardige Nederlandstalige muziek van Schagen naar Callantsoog. Onderweg een groene specht gezien. In Callantsoog even het kerkje bekeken, teruggelopen naar het Zwanenwater. Half rondje rondom het Eerste Water gelopen. Halverwege (net voorbij de observatiehut) is de route nog tot eind januari gestremd.
Op het water een flinke groep grote zaagbekken, de mannetjes prachtig roze oplichtend. Verder veel slob- en kuifeenden, smientjes, tafeleendjes en een topper. Boven het duin een vrouwtje blauwe kiekendief zien vliegen, achtervolgd door een buizerd. Op de terugweg naar Callantsoog nog een troepje kneutjes gezien en een juveniele bruine kiek. (Zeer laat - blijft waarschijnlijk overwinteren.)
Langs het dorp naar het strand gelopen. Ons vrolijk gemaakt over de nordic walkers. Op de dammetjes steenlopers, scholeksters, drieteenstrandlopers, groepjes kanoeten en tweemaal een bontbekplevier. Gestaag aanwakkerende, ijzige zuidwestenwind, ruimend naar west.
Door de harde wind nog een paar vogels gezien die je normaal gesproken alleen op volle zee ziet: een troepje van zes of zeven dwergmeeuwen boven de vloedlijn, bij een van de dammetjes zelfs een middelste jager. Af en toe stoven er troepjes eiders langs.
Bij de Hondsbossche (eigenlijk: de Pettemer) Zeewering even in de luwte van de dijk gelegen. IJs- en ijskoud, ondanks de warmende gloed van het evangelisch centrum en de kerncentrale. Broodjes gegeten en hete thee gedronken. Verder gelopen langs de dijk, aan de landzijde nota bene, zeer tegen onze gewoonte. Het schoot niet op.
Bij de Putten van Camperduin toch nog een goeie score: dodaarsjes, tureluurs, steenlopers, bontbekplevieren, bonte strandlopers, wintertalingen, smienten en een ferme troep kluten.
Bij v/h Minkema (het stond er nog) binnen gezeten en op temperatuur gekomen met bokbier en Grimbergen Blond. Voortdurende basdreun van de bulderende branding. Toen Minkema ging sluiten afgezakt naar de dorpskroeg (waar ze ook al van die geweldige muziek hadden) en iets gegeten.
Later, bij de bushalte, weer volop in de wind en regen. Waarom staan middenin de stad overal abri's, maar op dit soort plekken niet? Misschien zijn mensen in de Kop van Noord-Holland beter bestand tegen de elementen. Of ze hebben allemaal een auto, de watjes. Op het station in Alkmaar was van de stormachtige wind niks te merken. Er stond een briesje van hooguit kracht 4.
Afgelopen zaterdag in dat rare weilandje ten noorden van station Duivendrecht een ruigpootbuizerd (!) gezien, die het zwaar aan de stok had met een blauwe reiger. Gek genoeg was de reiger aan de winnende hand. Verder dag en nacht geluid van trekkende (kol-)ganzen boven het huis. En 's nachts het gefluit van smientjes bij het Gein.
Het voordeel van TV
Vanmorgen werd op Radio 1 Karin van Willigen, directeur bouweconomie van Bouwend Nederland, geïnterviewd over het nieuwe fijnstofakkoord van de EU. Eerst dacht ik dat ik het verkeerd hoorde, maar ze zei het liefst twee keer: 'De lucht in Nederland is nog nooit zo schoon geweest als nu.'
Ik hoop dat ergens TV-beelden van dat interview bestaan, want ik zou graag weten of ze het met droge ogen zei.
Natuur vandaag (106)

Ik word een beetje traag op m'n ouwe dag. Of een beetje langzaam, dat kan ook. In elk geval is het alweer meer dan een week geleden dat ik met Thijs uit wandelen ben geweest in de Oostvaardersplassen. Mooie wandeling onder een lekker herfstzonnetje.
Leuke dingen gezien onderweg: een late lepelaar, veel grote zilverreigers uiteraard (vluchten van vijf stuks tegelijk, waar zie je dat nou?), grauwe-, kol- en brandganzen, smienten, wintertalingen, slobeenden, dodaarsjes, veel buizerds (waaronder één ruigpootbuizerd), bruine kiekendieven, een sperwer - afijn, het was weer eens (om met Koos van Zomeren te spreken) alsof je een hele zak Engelse drop in één keer leeg eet.
Maar het mooiste was misschien wel het paartje roodborsttapuiten dat, op nog geen vier meter van ons af, op een informatiepaneel kwam zitten poseren. De foto van het mannetje doe ik er gratis bij. Yep, het mooie seizoen is begonnen, ik ga m'n Meindls maar weer eens in de Snoseal zetten.
Natuur vandaag (105)
M'n Meindls zitten onder de schapenstront en dat werd tijd. Afgelopen zondag zijn Thijs en ik eindelijk weer eens naar Texel geweest. 's Morgens grauw en een beetje motterig met felle, koude wind, maar rond een uur of half twaalf knapte het weer aanzienlijk op. Vanaf de boot hebben we dit keer niet veel bijzonders gezien (of het moesten de vier boerenzwaluwen zijn die over het Marsdiep trokken), maar op het eiland des te meer.
Het Wagejot kan er soms vrijwel uitgestorven bijliggen, vooral bij laag water. Maar zondag hadden we mazzel: een grote troep kluten, drie watersnippen, goud- en zilverplevieren, bonte- en drieteenstrandlopers, twee bontbekplevieren en een massa steenlopers, wulpen (uiteraard), drie watersnippen en een groenpootruiter. De smientjes zijn weer terug (afgelopen week hoorde ik ze 's nachts al bij het Gein), en de wintertalingen ook. Drie pijlstaarten gezien, en krak-, slob- en bergeenden. Kuif- of tafeleendjes hebben we gek genoeg de hele dag niet gezien, ook niet bij het gemaal bij Oost, waar altijd wel een paar kuifeenden zitten.
De ganzentrek lijkt nog niet helemaal op gang te zijn gekomen. Hier en daar zagen we plukjes kolganzen overkomen, in de weilanden zitten grauwe ganzen (nog drie rietganzen gezien tussen een troep grauwe ganzen). Bij Dijkmanshuizen zat het vaste troepje van vier brandganzen (die zijn daar volgens mij door iemand vastgelijmd), rotganzen hebben we nog niet gezien. Maar de fratertjes, vinken en boerenzwaluwen zijn volop op trek. Aan de zuidkant van het eiland hebben we tweemaal een tapuit gezien.
Bij Zandkes kleiput hadden we zowaar ook eens geluk: tussen wat ander gespuis vonden we er een zwarte ruiter en een watersnip. Bij Ottersaat zo'n beetje hetzelfde spul als in het Wagejot, met een troep kanoeten, een rosse- en een gewone grutto op de koop toe. Op zee de gebruikelijke troepjes eiders en hier en daar een fuut. Bovendien kwam er nog twee keer een laat visdiefje voorbijzeilen. Ten zuiden van Oudeschild stak tweemaal een zeehond z'n snuit boven water, vermoedelijk dezelfde. Op de slikplaat bij 't Horntje stond een vrij grote troep grutto's te foerageren.
Uiteindelijk zijn we lekker loom op de betonnen glooiïing bij de Mokbaai gaan liggen. In het westen scheen de zon onder de wolken door. Het tij kwam in razend tempo opzetten - het mannetje dat in een zuurstokroze joggingbroek pieren stond te steken moest hard rennen, maar hield het droog - en terwijl de Mokbaai zich volzoog als een spons zagen we tevreden hoe tot twee keer toe een veerboot zonder ons naar het vasteland vertrok.
Maar ja, dat kun je niet blijven volhouden.
Woodlouse blues

De afgelopen jaren heb ik de nodige blauwe reigers, blauwe kiekendieven en blauwborsten gezien. Ook van blauwe druifjes, blauwe regen en blauwalgen kijk ik niet meer op - al wil ik nog wel eens schrikken van een blauwe envelop. Maar van een blauwe pissebed had ik tot vandaag nog nooit gehoord. Vanmiddag trof een vriend er eentje aan in mijn achtertuin.
In eerste instantie dachten we aan een mutant of aan een vreemde pigmentafwijking, maar na enig zoekwerk bleek dat de vreemde kleur wordt veroorzaakt door een iridovirus, dat zich voordoet op plekken waar veel pissebedden bij elkaar zijn en de vochtigheid sterk fluctueert. Zo'n drie weken na de infectie vormen zich kristallen, die door lichtbreking een blauwe kleur vertonen. Daarna leeft de pissebed nog ongeveer een week. Het virus schijnt overigens vrij algemeen te zijn.
Weer wat geleerd.
Natuur vandaag (104)
In m'n achtertuin staat de buddleia in bloei. Als ik me niet vergis is dat drie volle weken eerder dan vorig jaar. En hoewel het aardig is om vanuit m'n luie stoel naar de vlinders te koekeloeren, blijft het verontrustend om te zien hoe de hele natuur vooruithobbelt op schema. Naar het schijnt sterven de jonge vogels bij bosjes omdat de insecten zich sneller dan de vogels aanpassen aan de opwarming van de aarde.
Wat me ook verbaast is dat de zaden van esdoorns nu al beginnen los te laten, terwijl ze nog helemaal niet volgroeid zijn. En hier en daar vind je al onvolgroeide paardenkastanjes. Misschien is dat normaal en is het me gewoon nog nooit eerder opgevallen, maar als het normaal zou zijn dan was het me toch wel eerder opgevallen?
Radio 1 meldde vanmorgen dat de asiels propvol zitten, omdat huisdieren dit jaar al twee weken voor de vakantie in het bos worden gedumpt. Niet alleen de natuur, ook de mens is blijkbaar van slag. Het wordt nu wel erg gortig met die klimaatverandering.
Stekeligheden

Een jaar of elf, twaalf geleden kampeerde ik met mijn broer op de Glen Nevis Campsite bij Fort William. Het weer was zoals je dat in Schotland mag verwachten, de storm joeg de ene regenvlaag na de andere tegen de tent. Vanwege het hondeweer hadden we besloten om niet af te wassen - al was het zeer de vraag of we dat bij mooi weer wel zouden hebben gedaan - en direct na het eten in de tent te gaan liggen. De vuile vaat hadden we zolang onder het tentzeil gezet.
Rond een uur of twee werden we wakker van een afschuwelijk kabaal. Er was geen twijfel mogelijk: iemand was onder het tentzeil door tussen onze spullen aan het rotzooien. Waarschijnlijk probeerde hij (zij?) onze dure pannenset of de MSR-brander te klauwen. Mijn broer en ik keken elkaar even aan, voor zover dat mogelijk was in het stikdonker. Ik maakte een gebaar dat zowel 'Ssst!' als 'Wacht maar eens even' betekende. Uiterst voorzichtig pakte ik de zaklantaarn en kwam zonder enig geluid te maken overeind. Vervolgens ritste ik razendsnel de tent open, klaar om de bandiet op zijn falie te timmeren.
Tussen de pannen, waar ik verwacht had de handen van een grijpgrage Brit te zien, zat een egel. De egel was niet half zo verrast als ik. Hij keek me even gramstorig aan en ging vervolgens doodgemoedereerd verder met het leegeten van onze vuile pannen. We hebben er smakelijk om gelachen, maar uiteindelijk hebben we de egel voor zijn eigen bestwil (en onze nachtrust) uit de tent gezet.
Egels zijn in het geheel niet schuw. Door hun dikke, stekelige pantser wanen ze zich onkwetsbaar, een misvatting die ze overigens geregeld met de dood moeten bekopen op onze autowegen. Daarnaast voeden ze zich met slakken, eieren, wormen, kevers, spinnen en macaroni met kaassaus, prooien die over het algemeen niet op de loop gaan voor een luidruchtige predator. De kunst van het sluipen is ze dan ook volkomen vreemd. Er zijn weinig nachtdieren die zo'n herrie maken als de egel.
Afgelopen week zat ik 's nachts in de tuin en hoorde geritsel in het struikgewas. Eerst dacht ik dat een van de buurkatten op muizenjacht was, maar daarvoor hield het geritsel te lang aan. Voor merels was het te laat. Er was maar één conclusie mogelijk: ik had een egel in de tuin. En verdomd: tussen de struiken bij de schutting zat een egel in de dorre blaadjes te grutten. Ik wenste de egel goedenavond en liet hem weer aan zijn beslommeringen over.
Door de herrie kon ik precies horen waar de egel zich bevond. Op een gegeven ogenblik hoorde ik hem door de tuin van de buren kruipen. Eigenlijk kon ik dat niet uitstaan, maar zo'n beest gaat zijn eigen gang. Niks aan te te doen. Vijf minuten later hoorde ik de egel weer in mijn eigen tuin rotzooien. Onder de salie, deze reis, waar het altijd krioelt van de lieveheersbeestjes en andere kevertjes. Ik ging nog maar eens een kijkje nemen.
Tot mijn stomme verbazing zaten er onder de salie niet één, maar twee egels: een ouder/verzorger en een jong. Ze deden zich luid snuivend, knorrend en smakkend tegoed aan de kevers, en blijkbaar had het jong de slakken ontdekt, die rondkropen op het loof van de blauwe druifjes. Terwijl ik ze stond aan te gapen (en en passant een foto nam) hielden ze even op met hun bezigheden, maar toen ik me weer op het bankje had geposteerd gingen ze verder alsof ze me nooit hadden gezien. Zeker tien minuten lang zat ik met innig welgevallen naar mijn egels te staren. Wie heeft er in Amsterdam nou twee egels in z'n achtertuin?
Wat zeg ik? Twee? Uiteindelijk bleken het er drie te zijn. Terwijl de eerste twee egels bezig waren mijn salie leeg te snoepen, ritselde er nog een derde egel door de ruige hoek achter de varen. Een kwartier lang was ik de gelukkigste man van Amsterdam.
Toen ik een jaar of zestien, zeventien was, bezorgde ik huis-aan-huisblaadjes, een baantje waarvoor ik geregeld 's avonds bij donker door het dorp liep. Vaak kwam ik op zo'n avond een egel tegen, die midden op de weg aan het scharrelen was en geen aanstalten maakte om naar de kant te gaan. Om te voorkomen dat zo'n egel bij zijn bezigheden zou worden platgereden probeerde ik hem dan op te pakken en aan de andere kant van de straat tussen de struiken te zetten. Na veel onhandig gemanipuleer (waarbij de egel voortdurend probeerde zich op te rollen) ontdekte ik dat egels aan de onderkant een zacht vachtje hebben, waardoor je ze van onderen kunt optillen. Dat ik daarbij nooit gebeten ben mag een wonder heten, maar goed.
Hoe dan ook: volgens mij heb ik op die manier zeker een dozijn egels gered. Of het was steeds dezelfde, dat kan ook. En hoe onwaarschijnlijk het ook is: ik mag graag fantaseren dat de egels in mijn achtertuin nakomelingen zijn van de door mij geredde egels. Dat hoeft, zoals gezegd, niet waar te zijn. Maar het levert in elk geval een mooie afsluiting op voor dit stukje.
Nuttig & aangenaam

Tot mijn genoegen merkte ik afgelopen week dat er daslook groeit in het Bijlmerpark. En daslook smaakt niet alleen verrukkelijk, het is ook nog eens beschermd. Dus als ik zo dadelijk mijn salade op heb zal ik eens met het stadsdeel bellen, om ze te vertellen waar ze hun bouwplannen voor het Bijlmerpark kunnen steken. Altijd handig, zo'n plantje!
Natuur vandaag (103)

Over het algemeen slaap ik met open raam. Dat is niet alleen fris, het geeft ook een aardig inzicht in wat er buiten zoal gebeurt. Maak je daar geen al te spectaculaire voorstelling van, overigens: sinds ik in dit buurtje woon is er pas één schietpartij geweest en van de inbraken word ik niet wakker. Maar het is toch aardig om in het holst van de nacht een koe te horen loeien op honderd meter afstand van je huis, in het geruststellende besef dat je niet op het platteland woont.
Waar lig ik verder zoal wakker van? Nou, het gekwaak van kikkers bijvoorbeeld. En (nog altijd) het ochtendrumoer van merels en zanglijsters - al moet ik zeggen dat ik daar, sinds ze het niet meer bij donker doen, meestal doorheen slaap. Maar gistermorgen was er een nieuwe gast. Een koekoek deze reis.
Nu was dat op zich geen verrassing. Vorig jaar, toen ik deze woning ging bekijken, zat er immers ook al een koekoek in het natuurgebiedje om de hoek. Vermoedelijk kiezen ze die woonstek uit omdat er veel kleine karekieten tussen het riet zitten - koekoeken leggen hun eieren graag in het nest van een kleine karekiet. Een verrassing niet dus, maar wel leuk. Want in mijn leven ben ik van veel dingen wakker geworden*, maar nog nooit van een roepende koekoek.
De koekoek was niet de enige gast die gisteren arriveerde: terwijl ik in Naarden bij een verhuizing liep te helpen hoorde ik de eerste gierzwaluwen van dit jaar. Op 21 april! Ik heb het nog even nagezocht (een mens moet hobby's hebben). Vorig jaar zag ik de eerste gierzwaluwen op 25 april, het jaar daarvoor op de 24e en in 2004 arriveerden ze ook op 25 april. Maar de 21e, dat is volgens mij een record. En het waren er nog flink wat ook, dus is het zomer.
(Deze grap maak ik volgens mij ieder jaar. Daar moet ik nu toch maar eens mee ophouden.)
*) Om te onthouden: ik moet eens een lijst maken met de dingen waarvan ik in mijn leven wakker ben geworden.
Stoffer-en-blikboom

De prunus voor mijn huis is geplant door de vorige bewoners. Niettemin ben ik trots op 'mijn' prunus. Het is de mooiste boom van de straat. Nee: van de hele buurt. Daarnaast heb ik er ook nog eens een hoop gemak van: de prunus houdt veel van de directe zon uit mijn keuken, zodat het er zelfs op zomerse dagen aangenaam koel is. Bovendien fungeert de prunus 's zomers als een reusachtige paraplu, zodat ik tijdens (lichte) regenbuien toch lekker in de voortuin kan blijven zitten. Waar zo'n boom al niet goed voor is.
Op de foto staat de prunus nog in volle bloei. Het is bizar om te zien hoe hij in twee, drie weken tijd vanuit het niets een werkelijk gigantische massa roze bloesems heeft aangemaakt, en nog bladeren op de koop toe. Ik denk dat de boom op het ogenblik een paar honderd kilo zwaarder is dan vier weken geleden - en dan moet het grootste gedeelte van het blad nog uitkomen. Van de ontwikkeling van zo'n hoeveelheid biomassa in zo'n korte tijd zou ik bijna een beetje stil worden.
De groei van blad & bloesem heb ik van zeer dichtbij kunnen meemaken: vanuit mijn studeerkamer (mijnheer is in de studeerkamer en wenst niet gestoord te worden - okee...) kijk ik recht in de kruin. Het is alsof er buiten een soort roze orkaan woedt. Dit is wat ik zie als ik achter mijn bureau zit:

Ik schrik nog elke keer dat ik binnenkom. Inmiddels is de bloei een beetje over z'n hoogtepunt heen en ligt mijn voortuin, het straatje en zelfs het plein onder een dik tapijt van bloesemblaadjes. De komende twee weken wordt dat alleen maar erger. Nu begrijp ik ook een beetje waarom mijn grootmoeder de prunus een 'stoffer-en-blikboom' noemde. (Dat moet mijn oma van vaderskant geweest zijn; mijn oma van moederskant zou, in haar eigenaardige mengeling van Gronings en Duits, 'mottblick-und-fegerboom' gezegd hebben.) Maar mijn oma moet een kleinere prunus bedoeld hebben. Bij mijn prunus vrees ik dat alleen een bulldozer helpt.
Toch eens kijken of de Bo-rent die ook verhuurt.
Leve het onkruid!

Het is nu een jaar of acht geleden dat ik me voor de natuur ben gaan interesseren. Niet dat ik daarvoor nooit in de natuur te vinden was, hoor. Sterker: ik was niet uit bos, duin, hei en wei weg te slaan. Maar mijn natuurliefde beperkte zich tot de appreciatie van een mooi landschap. En iets erbij te drinken, uiteraard. Dat veranderde abrupt toen ik tijdens een wandeling rond Marken door mijn broer op een aalscholver gewezen werd. Nu wist ik heus wel dat er aalscholvers bestonden. In The Meaning of Life vraagt John Cleese immers op barse toon wie de schoolaalscholver met lijnzaadolie heeft ingesmeerd. Maar hoe zo'n beest eruit zag had ik me nog nooit afgevraagd.
Nog geen week later schafte ik een verrekijker en een vogelgids aan. Bij het doorbladeren van de gids drong de volle omvang van mijn onwetendheid tot me door. Waar moest ik in vredesnaam beginnen? Er waren simpelweg teveel verschillende vogels. De gedachte dat ik ooit een rotgans van een brandgans zou leren onderscheiden, dat ik ooit een grauwe kiekendief, een grote zilverreiger of zelfs maar een dodaars in levenden lijve zou zien, kwam me als absurd voor.
Ik stortte me op de materie met de ijver van een bekeerling. En tot mijn eigen verbazing bleek het determineren van vogels eenvoudiger - en leuker - dan ik ooit had durven hopen. Kijker en gids gingen op alle wandelingen mee. En die wandelingen gingen meer en meer naar vogelgebieden. In no time had ik een respectabele 'lijst' opgebouwd. Toen mijn schoonvader me bovendien leerde om vogelgeluiden te herkennen was het hek helemaal van de dam. Een paar jaar lang heb ik over niets anders dan vogels gelezen, gedacht en gepraat. Vrienden, kennissen en collega's werden er tureluurs van.
Inmiddels is de vogelmanie een beetje betijd. Nog steeds trek ik er zodra het maar even mogelijk is met kijker en gids op uit, maar het obsessieve is eraf. Gelukkig heb ik me nooit ontwikkeld tot zo'n loser die het halve land doorrijdt omdat er ergens een bijeneter of een lammergier is gesignaleerd. Een woudaap of een roodhalsgans kom ik vanzelf nog wel eens tegen. Of niet. Bovendien amuseer ik me nog altijd opperbest met het gedoe van de huismussen en spreeuwen in het winkelcentrum. Het is goed zo.
Maar ik heb een nieuwe uitdaging. Een maand of wat geleden heb ik een bloemengids en een bomengids aangeschaft. Opnieuw bekroop me bij het inzien van beide gidsen een verpletterend gevoel van onwetendheid. Hoe moest ik ooit meer dan 1500 verschillende plantensoorten uit elkaar leren houden? Maar door mijn ervaring met vogels heb ik geleerd om dicht bij huis te beginnen. Dus heb ik op een mooie middag maar eens al het onkruid in mijn achtertuin gedetermineerd. Gelukkig stond er genoeg.
Ik heb er verbazend veel van opgestoken. Niet alleen leerde ik het groot robertskruid, de kleine veldkers en de muurleeuwebek kennen, ik moest me ook een hele nieuwe terminologie aanleren. Hauwtjes, kroonbladeren, kiel en zwaarden: nog iedere dag kom ik nieuwe woorden tegen.
De afgelopen winter heeft het 'karwei' een beetje stilgelegen. Maar nu het onkruid weer enthousiast de kop opsteekt en nog in bloei staat op de koop toe, ben ik opnieuw begonnen. Nog steeds lijkt het me een onmogelijkheid om alle soorten te leren onderscheiden. Maar met een beetje beleid en een redelijke gids kom je een heel eind. Aan de ene kant is het determineren van planten moeilijker dan dat van vogels. De verscheidenheid is veel groter en de soorten lijken vaak stuitend veel op elkaar. Aan de andere kant blijft een plant tenminste stilzitten terwijl je hem bekijkt, dus kun je er rustig de tijd voor nemen.
Voorlopig heb ik me ten doel gesteld om elke dag één of twee plantjes te determineren. Dat schiet niet op, zou je zeggen, maar in een half jaar leer je op die manier toch al gauw zo'n twee- à driehonderd soorten kennen. Als ik 's morgens naar mijn werk ga, struin ik onderweg naar de metro even door de berm, op zoek naar een plantje dat ik nog niet ken. Als ik er een vind, fotografeer ik het (zo komt die macrofunctie op mijn camera ook nog eens van pas) en ga het in de metro zitten determineren. De meewarige blikken van mijn medepassagiers neem ik daarbij voor lief.
De hersenen werken op een vreemde manier. Een natuurgids kan je tijdens een rondleiding wel vijftig soorten aanwijzen, je onthoudt er hoogstens een paar van. Maar als je een plant eenmaal zelf hebt gedetermineerd vergeet je hem niet zomaar meer. Bovendien leer je veel door het elimineren van soorten die er sterk op lijken. De afgelopen week heb ik een stuk of vijftien, twintig soorten aan mijn 'verzameling' toegevoegd. Akkerereprijs, klein kruiskruid, hondsdraf en steenraket: ik kan ze allemaal aanwijzen.
Er is maar één beperkende factor: als ik in mijn huidige tempo doorga is er straks geen soort meer over om te determineren. En de vraag is wat ik dán moet doen. Gelukkig heb ik nog een tijdje om daar over na te denken.
|
|
|