Fruit
De badkamer van een man is een oase van eenvoud. Op de wastafel vind je wat scheerspullen, een tandenborstel, tandpasta en een busje deodorant, in de douchecel shampoo en badschuim, vaak in één fles. Hier en daar zwerft nog een kam rond, soms zelfs een nagelschaar, en wanneer een vent eens per week z'n sokken wast en zo nu en dan een schone onderbroek aantrekt (heren!) gaat-ie al snel door voor een verzorgde man.
Bij vrouwen gaat het er heel wat minder overzichtelijk aan toe. Op plankjes, in kastjes en onder de douche: iedere bruikbare vierkante centimeter wordt in beslag genomen door een barokke verzameling van potjes, tubes, flesjes, doosjes, zakjes, flacons, spuitbussen, verstuivers, stiften, rollers, blikjes en sachets. Vrouwen vinden in deze doolhof schijnbaar moeiteloos hun weg. Een man kan het maar beter niet eens proberen. Niet alleen hebben we van de meeste damesverzorgingsproducten geen idee waarvoor ze dienen, bovendien veroorzaakt de geringste aanraking van het kleinste potje of flesje een enorme lawine, waardoor je niet alleen de hele verzameling cosmetica, maar ook de gramschap van je vriendin over je heen krijgt.
Waarvoor hebben meiden al die rotzooi nodig? Waarom worden er in de Etos hele kubieke meters plankruimte opgeofferd aan 'damesgeuren' (een woord dat bij mij associaties oproept die met cosmetica geen donder te maken hebben), en kunnen de verzorgingsproducten 'for men' met gemak worden weggestouwd in een verloren hoekje achter de condooms? En nog een vraag: waarom kunnen vrouwen geen genoegen nemen met zoiets simpels als 'zeep', 'shampoo' of 'lotion'? Waarom moeten alle producten waarmee ze zich insmeren per se worden opgeleukt met spullen die je eerder op de fruitmand dan in je badkamer verwacht?
Je denkt dat ik overdrijf? Tijdens een oppervlakkige inventarisatie van de badkamer van m'n vriendin stuitte ik onder meer op douchecrème met hazelnoot, douchegel met wilde abrikoos, hydraterende bodymilk met kokos, shampoo met appel, scrubgel met kersen, conditioner met walnoot, crèmespoeling met amandel, nachtcrème met zomertarwe en kleimasker met yoghurt en havermout. Dat is toch geen persoonlijke verzorging meer! Dat is muesli!
We moeten constateren dat er sinds de zondeval eigenlijk heel weinig veranderd is. Vrouwen laten zich nog steeds verleiden met vruchten. En de slang is nog altijd de listigste van de dieren des velds, al draagt-ie tegenwoordig het maatkostuum van de gladde marketingjongen. In die hoedanigheid heeft hij een heel parallel universum geschapen, waarin aan domme stukken fruit de meest bizarre eigenschappen worden toegekend.
Het begon in de late jaren zeventig, met nogal expliciete reclamefilmpjes over 'de wilde frisheid van limoenen'. Nou goed. Dat limoenen fris zijn ga ik hier niet betwisten. Maar wild? De meeste limoenen die ik ken liggen maar zo'n beetje te suffen op de aanrecht. Zonder zelfs maar te loeien, te blaten of te mekkeren laten ze zich uitpersen of in stukken snijden. En heb je ooit een limoen z'n tanden in een postbode zien zetten? Nee hè?
Je zou denken dat iedereen dat soort nonsens doorziet. Je zou denken dat zo'n campagne nooit lang kan duren. Maar dan heb je buiten vrouwen gerekend. Zo vlijmscherp als ze zijn, wanneer het erom gaat hun man te betrappen op sporen van overspel en kroegbezoek, zo boterzacht worden ze van een geraffineerde advertentie. En daarom worden er elke avond weer hele reclameblokken volgeleuterd over de revitaliserende werking van grapefruit, het sensuele effect van meloen en de rustgevende kracht van mandarijnen.
De damesbladen maken het nog veel erger. In het ene artikel beweren ze dat de kilo's eraf vliegen wanneer je niets anders eet dan fruit, twee pagina's verder schrijven ze - zonder met hun ogen te knipperen! - over hoe vóedzaam appels, kiwi's en druiven zijn, zolang je ze maar in je haar smeert. En vrouwen slikken het allemaal als zoete koek.
De enigen die van de zondeval iets lijken te hebben geleerd zijn mannen. Die raken sinds Genesis 3 geen fruit meer aan. En omdat het moeizaam variëren is op steeds hetzelfde thema van zeep, shampoo en aftershave, blijft cosmetica voor mannen beperkt tot een paar simpele basisproducten, waarop de overbodige toevoeging 'for men' is afgedrukt. Er wordt wel eens voorzichtig geprobeerd om mannen aan gezichtscrème en bodylotion te helpen, maar echt lukken wil het niet.
Is het dan helemaal onmogelijk om een uitgebreide verzorgingslijn voor heren op te zetten? Tuurlijk niet! Maar kom me niet aan met allerhande fruitige geurtjes. En al helemaal niet met waanzinnige claims over verjongende perzik en vochtinbrengende ananas, want daar trappen we niet in. Mannen zijn net als vrouwen gevoelig voor leugens, maar het moeten wel plausibele leugens zijn.
Dus zodra een cosmeticagigant komt met een herenlijn, gebaseerd op de voedzame werking van tosti’s en de vochtinbrengende eigenschappen van water, beloof ik dat ik voor de bijl ga. Zodra de Etos shampoo verkoopt met de kalmerende werking van oude jenever, scheerzeep met het rustgevende effect van zware shag en aftershave met de vitaliserende kracht van zwarte koffie, beloof ik dat ik extra planken in mijn badkamer ga aanbrengen.
Al denk ik dat ik eerst nog wel even een nieuwe boormachine ga kopen.
Wekkerradio
1.) Wakker worden van de nieuwsdienst. Heel voorzichtig één oor opendoen.
2.) Horen: 'De Franse presidentskandidaten Nicolas Sarkozy en Ségolène Royal zijn op televisie met elkaar in bad gegaan.'
3.) Heel voorzichtig andere oor ook opendoen.
4.) Begrijpen dat er is gezegd: 'De Franse presidentskandidaten Nicolas Sarkozy en Ségolène Royal zijn op televisie met elkaar in debat gegaan.'
5.) Diep zuchten, SNOOZE indrukken.
6.) Herhaal stappen 1 t/m 5 tot uitgeslapen.
Vuile was
Ik weet alles. En alles wat ik niet weet, dat weten mijn vrienden, dus weet ik het ook. Daarnaast beschouw ik mezelf als een redelijk technisch aangelegd persoon. Dat laatste is overerfd - dat zit wel goed. Bij het nalezen van bovenstaande beweringen dringt zich al snel de conclusie op dat ik beschik over de juiste credentials voor een simpel karwei als het aansluiten van een wasmachine. Maar dat valt tegen.
Zo vlak na een verhuizing komt een mens om in de vervelende klusjes. Dozen moeten worden uitgepakt, kasten ingericht, boeken op alfabetische volgorde gerangschikt en ontmantelde meubelstukken - eeh... - hermanteld. Het aansluiten van de wasmachine kan in zo'n geval wel even wachten, zeker als je nog over verschoningen beschikt. Maar gisteren was het zover: voor het eerst sinds de verhuizing was ik door mijn schone goed heen.
Nu zou het aansluiten van een wasmachine feitelijk een koud kunstje moeten zijn. Je sluit de ene slang aan op de kraan, de andere slang op de afvoer, je steekt de stekker in het stopcontact en je bent operationeel. Bob's your uncle. Maar om de een of andere reden heeft men in de Nederlandse bouwvoorschriften een extra hindernis ingebouwd: het badkamerstopcontact. U kent het wel: zo'n plastic kastje bovenaan de wand met een trektouwtje en een lampje, waaraan de wasmachine hard wired moet worden verbonden.
Een Australische kennis, een verwoed wereldreizigster ook nog, weet te vertellen dat dit een uniek verschijnsel is. Nederland, zegt ze, is het enige land ter wereld waar je in de badkamer geen normaal stopcontact mag aanleggen. Of dat waar is weet ik niet (ik moet het eens aan een van mijn vrienden vragen), maar ik word altijd een beetje korzelig van dat soort beweringen. Meestal worden ze op half spottende, half medelijdende toon gebracht: die malle Hollanders toch. Op zo'n moment wordt de latente patriot in mij wakker. 'In Nederland,' zeg ik dan op beheerste toon, 'komen anders verrassend weinig mensen om het leven door electrocutie in de badkamer. Om over krokodillen of pijlstaartroggen nog maar te zwijgen.' Zo. Ga daar maar eens goed over nadenken.
Ondertussen zat ik toch maar mooi met dat stopcontact. Ten aanval. Gewapend met een schroevendraaier, een spanningzoeker en een striptang nestelde ik me in de badkamer. De stekker van de wasmachine was in een ommezien ontmanteld. Ook het uit elkaar schroeven van het stopcontact leverde geen noemenswaardige problemen op. Op mijn knieën kroop ik op de wasmachine om de situatie van dichtbij te bekijken. Dat was eenvoudig. Plusdraad hier, mindraad daar, aarddraad linksonder. Fluitje van een cent.
Nu ga ik bij stroomklussen meestal uiterst consciëntieus te werk. Een ongeluk zit immers in een klein hoekje. Maar na jaren ervaring met het aansluiten van lampen was ik ontwend om de stroom af te sluiten. Natuurlijk: je kunt in de meterkast de hele groep uitschakelen, maar het is weer zo'n gedoe om daarna de wekker opnieuw in te stellen. Liever zet ik gewoon de lichtschakelaar uit. Dat is minder werk. Waar heeft een mens anders een spanningzoeker voor?
Nog altijd geknield op de wasmachine begon ik met de spanningzoeker de contactpunten te controleren. Plusdraad onder: geen sjoege. Mindraad evenmin. Mindraad boven in orde. De plusdraad aan de bovenkant stond onder stroom. Goed, dat wisten we dus. Goedgemutst begon ik met het losschroeven van de contactpunten. Pas twintig seconden later viel het kwartje. De plusdraad aan de bovenkant stond onder stroom. Gemakshalve was ik even vergeten dat ik geen lamp aan het aansluiten was, maar dat ik in een stopcontact zat te schroeven. Imbeciel.
Bijna was ik door electrocutie in de badkamer om het leven gekomen, en dat genoegen gun ik mijn Australische kennis niet. Inwendig vloekend over mijn stommiteit stommelde ik naar de meterkast om de groep eraf te gooien*. Maar op welke groep zat in hemelsnaam het badkamerstopcontact? Better safe than sorry, besloot ik, en keilde alle groepen uit. Dan maar een keer opnieuw de wekker instellen - dat is beter dan nooit meer slapen. Enfin, twee minuten later zat alles op z'n plek en was mijn wasmachine hard wired. Job well done.
Vanmorgen werd ik bij half zeven wakker. Dat gebeurt zelden; het moet liggen aan het feit dat ik de wekker opnieuw heb ingesteld. Maar ik was nu toch al wakker, dus besloot ik om de was te doen - dat kon nog mooi even voor het werk. Ik propte de inhoud van de wasmand in de trommel, schakelde de machine in en strompelde naar de keuken voor mijn ontbijt. Halverwege de tweede bak koffie realiseerde ik me dat er iets niet in de haak was. Ik miste het geluid van een werklustige wasmachine. Boven gekomen keek ik alles nog eens na.
Stroom? Check. Afvoer? In orde. Waterleiding? Geen probleem. Kraan opengedraaid? Stom, vergeten. Ik opende de kraan. De wasmachine begon te lopen. En niet alleen de wasmachine. Al snel onstond onder de machine een kabbelend beekje. Ik ben een groot liefhebber van kabbelende beekjes. Echt waar. Ik vind ze pittoresk, rustgevend zelfs. Maar niet in mijn badkamer. En zeker niet als ze veranderen in heuse stuwmeren. Wat nu weer? Ik zuchtte eens diep en sloot de kraan.
Terwijl ik op mijn knieën voor de wasmachine lag om aard & omvang van de lekkage te bepalen stormde poes de badkamer in. Ik heb me wel eens laten vertellen dat katten niet van water houden, maar Jonas vormt de uitzondering die de regel bevestigt. Waar water is, daar is Jonas. In een vorig leven moet ze een walrus zijn geweest. Hoe ik ook mijn best deed om overstroming tot de badkamerzijde van de drempel te beperken, Jonas plaste enthousiast in de rondte en veroorzaakte al doende zo'n golfslag dat het water al snel van de trap afliep.
De oorzaak van de lekkage was snel gevonden. Voordat we de machine verhuisden hebben we hem nog even laten leeglopen, zodat we al dat overbodige water niet hoefden mee te slepen. Degene die dat gedaan heeft (echt, ik was het niet) had weliswaar de dop teruggezet op de afvoer, maar was vergeten hem weer vast te schroeven. Vandaar. Zodoende stond ik vanmorgen om zeven uur luid tierend mijn badkamer aan te dweilen, hierbij verwijtend aangestaard door de poes, die haar waterpret in de kiem gesmoord zag. Volgende keer beter, Jonas.
Maar elk nadeel heb ze voordeel. (Of was het andersom?) Na de verhuizing was ik er nog niet aan toe gekomen om de badkamervloer, die vol met modderige voetafdrukken stond, schoon te maken. Die vloer ziet er nu in elk geval weer pico bello uit.
*) Met een beetje goeie wil kan iedereen praten als een elektricien, zelfs ik. De bedoeling is te suggereren dat het 'eraf gooien van een groep' voor mij dagelijkse kost is. U begrijpt.
Ska kitchen

'Gij drijft de idee van het blok door in al haar excessen, ge zijt de kubisten van de praktijk.'
Nou nee, maar ik ben wel donders ingenomen met het nieuwe zeil dat sinds enige dagen mijn keukenvloer siert. Stilletjes vraag ik me af of het geen tijd wordt om een bijpassende pantalon te kopen.
Wit
't Schiet op in m'n nieuwe huis. De muren en plafonds, die respectievelijk roze en grauw waren, zijn wit (voor zolang het duurt). Morgen komen de mannetjes (vrouwtjes?) om vloerbedekking te leggen in de hal, de keuken en de slaapkamer. 'Ergens tussen tien en zes' - een preciezere indicatie kon men helaas niet geven. Dan moeten ze het zelf maar weten ook, morgen. 'Koffie heren?' 'Nou, graag, mijnheer!' 'Dan zou ik maar eens als de bliksem zorgen dat die keuken afkomt.' At your service.
Zodra die vloer erin ligt kan ik de boel ook nog even schoonmaken. (Dat is moeilijker dan je denken zou: gisteren wilde ik een mop kopen bij de Blokker in Reigersbos. Blokker heeft liefst drie verschillende mopsystemen. Echt waar. Maar van het eerste systeem is alleen de stok leverbaar en niet de mop. Van het tweede systeem is wel de mop ontvangen, maar niet de stok. Van het derde systeem, tenslotte, zijn stok noch mop leverbaar, maar wel de emmer. U begrijpt al aanstonds dat de systemen niet uitwisselbaar zijn, toch? Ik ga nooit meer naar de &%$# Blokker.)
Maar goed, zodra de boel schoon is, is het huis af en kan de rommel erin. Jammer eigenlijk: zo'n leeg huis is reuze gemakkelijk in het onderhoud.
De sleutels!
Vanmorgen heb ik de sleutels van m'n nieuwe woning in ontvangst mogen nemen. En reken maar datti mooi is. Maar nog niet mooi genoeg, vandaar dat ik de komende week nog wel met verf, rollers, kwasten en vloerbedekking beschäftigt zal wezen.
Maar daar had ik vandaag nou typisch even geen last van. Met m'n ouders, die langskwamen om het huis te bewonderen en hun overstreste zoon een hart onder de riem te steken, ben ik even wezen wandelen in de Hoge Dijk (boomklever, mezen, Gelderse rozen vol in de bessen, fuut met uit de kluiten gewassen jong) en heb ik een supply run op de bouwmarkt* uitgevoerd.
Toen ze bij tweeën vertrokken, op weg naar hun andere zoon, heb ik maar eens een stoel in de tuin gepoot en ben ik lekker in de schaduw gaan zitten met een kopje thee. Tuin geïnventariseerd: van de twee buddleia's is er een geslachtofferd om een verhuislift neer te zetten. Jammer, maar vermoedelijk groeit-ie wel weer aan. Mooie varen, leuke hortensia ook. En een gigantische sleedoorn linksachter.
Voorts: kamille (echte, geen valse), citroenmelisse (altijd goed tegen de stress), salie (niet de eetbare variant, helaas). Ik vrees dat ik een flink deel van mijn huidige kruidentuin (salie, tijm, bieslook, Chinese bieslook, dragon, rozemarijn, laurier, koriander, oregano, munt, dille, weet-ik-veel) zal moeten transplanteren. En dan maar kijken wat er overblijft - het is per slot van rekening al september. Vooral aan de Chinese bieslook (moeilijk te krijgen - de plantjes althans, mooie bloemen ook!) ben ik erg gehecht. Gelukkig is er veel voor nodig om een ui-achtige kapot te krijgen. Maar er zal worden gekookt! Kruidig, ook!
En dan zijn er de &%$#! coniferen. Ik heb een pesthekel aan &%$#! coniferen. In elk geval moeten ze worden gekortwiekt, maar het liefst zou ik ze met wortel & tak uitroeien. Het vervelende is dat de coniferenhaag de enige afscheiding vormt tussen mijn achtertuin en de straat - in dit geval een parkeerplaats. Hmmm. Bamboe misschien? Even denken nog, komt tijd komt raad.
Twee molshopen gevonden. Leuk voor poes, straks.
Tussen de bedrijven door ook nog even naar boven gekeken. Grote bonte specht, kraaien, kauwen, eksters, spreeuwen, koolmezen, merels, boerenzwaluwen, zanglijsters, een roodborst en (u zag 'm al aankomen, flink hard ook) een sperwer. Tel daarbij de talloze kleine karekieten en spotvogels in de Hoge Dijk, de koekoek die ik er afgelopen voorjaar hoorde (niet gek: de kleine karekiet is een van de voornaamste - hm - gastheren van de koekoek) en de nachtegalen die er (zo verzekert de buurman me) voorkomen - jeumig, ik zou hier nog wel eens gelukkig kunnen worden.
Tot zover twee uur niksen.
Bij vieren verscheen vriend Daniël. Na de aanvankelijke oohs en aahs heb ik 'm in een tuinstoel geplant met het eerste biertje. Daarna even naar het nabijgelegen winkelcentrum Reigersbos afgezakt. Over het winkelcentrum zelf - een betreurenswaardig ontwerp van Cees Dam - zal ik het (hier) verder niet hebben. Maar o wee, de toko! De rekken met samballan kunnen alleen maar in kubieke meters worden gemeten. Zakken vol kruiden, specerijen en massala's vechten om de aandacht. Ik vrees een budgettair Tsjernobyl, maar er zal worden gekookt! Kruidig, ook!
Overigens: in de toko is ook een heel schap ingeruimd voor diverse soorten wierook, geurkaarsen, toverdrankjes en zelfs magische spuitbussen met luchtverfrissers die door kunstige tovenaars speciaal vervaardigd zijn om geld en/of liefde in huis te brengen. (U gelooft mij niet? Ga zelf kijken.)
Meuh. Zo wanhopig ben ik nou ook weer niet.
*) Amsterdammers! De Praxis zuigt! Ga toch naar de Gamma!
Huize Ko?

Wonderen bestaan: als het even mee wil zitten heb ik op 16 september een nieuwe woning in Zuidoost. En wát voor een. Voortuin, achtertuin, 4 (vier!) slaapkamers, twee minuten lopen van de weilanden en een natuurgebiedje, acht minuten van de metro. Er hangt zelfs al een 'Nee tegen A6-A9'-affiche achter de ramen - de frontlijn loopt een kilometer van 'mijn' huis.
Wat (wat, vraag ik u!) moet ik met vier slaapkamers? Ik heb geen idee. Zoveel slaap ik nou ook weer niet. Laten we eerlijk wezen: het is volkomen bespottelijk dat ik straks als alleenstaande dertiger in een knoert van een huis woon, met astronomische woonlasten, terwijl er in Amsterdam plenty tweeverdienende ouders-met-kinderen in puike, betaalbare driekamerflatjes wonen. Over een verknoeide woningmarkt gesproken.
Maar ik zal niet zeuren - voorlopig ben ik onder de pannen shingles en heb ik voldoende ruimte om mijn al maar aanzwellende boekenvoorraad te stallen. Misschien maak ik in een van de slaapkamers wel een bibliotheek. Met een chesterfield-fauteuil en een open haard.
En als het me financieel weer voor de wind gaat huur ik een butler in, die ongenode gasten aan de deur mag afpoeieren: 'Mijnheer is in de bibliotheek en wenst niet gestoord* te worden'. In het Engels, als het even kan.
Nu alleen nog verhuizen...
*) Nee, die reactie die u in gedachten had is heus niet zó gevat.
Klaas Vaat
Volgens een oud volksgeloof wordt slapeloosheid veroorzaakt door vuile vaat, die 's avonds op de aanrecht wordt achtergelaten. Hoewel ik weinig waarde hecht aan dat soort bakerpraatjes, valt moeilijk te ontkennen dat er een kern van waarheid in zit, al is het maar op metaforisch niveau. Bovendien gebeurt het regelmatig dat ik me, als ik 's nachts de slaap niet kan vatten, bedenk dat er inderdaad nog vuile borden op de aanrecht staan. Dat kan toch geen toeval zijn, zou je denken.
Gelukkig schuilt in de kern van het probleem tevens de oplossing. Als ik in het holst van de nacht lig te woelen en te draaien, hoef ik alleen maar aan die vuile vaat te denken. Daarmee is de slapeloosheid verklaard en de helft van het leed geleden. Vervolgens trek ik het warme dekbed over me heen en stel me voor dat ik, in plaats van lekker in bed te liggen, ook met mijn blote voeten op de ijskoude keukenvloer zou kunnen staan om de afwas te doen. Binnen twee minuten slaap ik als een prins. Gegarandeerd.
Op het eerste gezicht lijkt deze methode onfeilbaar. Toch kwam er onlangs een kink in de kabel. Ik had al anderhalf uur liggen staren naar het verspringen van de cijfers op mijn wekkerradio, toen ik onderkende dat ik niet kon slapen. Nu, dat was geen probleem. Ik dacht aan de vaat en trok met een tevreden glimlach de dekens over me heen. Maar voor ik goed en wel in slaap was, schoot ik met een ruk overeind. Die avond, bedacht ik me tot mijn schrik, had ik voor het slapen gaan nog snel even de afwas gedaan.
Heel voorzichtig, om het meisje en de poes niet wakker te maken, gleed ik tussen de lakens vandaan en sloop ik naar beneden. Inderdaad: de aanrecht was leeg. Al het vaatwerk stond keurig in de kast. In het hele huis was geen theelepeltje te vinden dat niet netjes was afgewassen. Mijn onfeilbare remedie tegen slapeloosheid had gefaald. De rest van de nacht heb ik geen oog dichtgedaan.
Sindsdien kan ik niet meer slapen als er geen afwas staat. Als we 's avonds per abuis de vaatwasser hebben ingeruimd, ruim ik hem voor het slapen gaan weer uit en zet de vuile borden terug op de aanrecht. Als er geen vuile borden in de vaatwasser staan haal ik de schone borden uit de kast en smeer ze in met vruchtenyoghurt, ketjap manis of Zwitserse kaas - alles voor een gezonde nachtrust.
Het moet gezegd: de laatste tijd heb ik van slapeloosheid geen last meer. Het is wel spijtig dat daarvoor een mooi oud bijgeloof moest sneuvelen. Zo zie je maar dat je niet alles voetstoots kunt aannemen. Myth busted.
De hand aan de kraan

Lezer, ik ben een geduldig man. Mensen die mij kennen zullen op deze bewering verwonderd reageren. Het komt namelijk geregeld voor dat ik uit mijn vel spring als een trein vijf minuten te laat binnenkomt. Ook heb ik in de file wel eens mijn stuur doormidden gebeten. Wat dat betreft is niets menselijks mij vreemd. Maar voor het overige grenst mijn kalmte aan het olympische. Neem nu triviale huishoudelijke karweitjes, zoals het vervangen van een kraanleertje. Een minder geduldig iemand doet zo'n klusje even vlug. Het vervangen van een kraanleertje is immers in een ommezien gefikst. Ik, daarentegen, bewaar mijn geduld en wacht rustig af.
De kraan van het fonteintje in de WC was lek. Niets aan de hand. Het geluid van een lekkende kraan valt zonder veel problemen te negeren, zelfs als kraan in kwestie zich dertig centimeter van je oor bevindt. Je bant het geluid uit je gedachten en als dat niet helpt lees je een krantje of zo, dat leidt af. Bovendien: hoeveel tijd breng je nou helemaal door op de WC? We zouden wel eens zien wie de langste adem had, de kraan of ik!
Maar het lekken werd erger. Het geluid negeren hielp niet meer en, hoe ik ook met de bladzijden bleef ritselen, de krant bood geen soelaas. Het werd tijd voor krasse maatregelen. Ik besloot te gaan neuriën. Een geschikte melodie was snel gevonden: de tonen van Parry's 'Jerusalem' zijn lang en gedragen, waardoor het nerveuze gedruppel van de kraan als het ware werd gecompenseerd. Het werkte wonderwel. Ook mijn echtgenote was enthousiast over deze nieuwe methode. Drie weken lang deden we vrolijk neuriënd onze behoefte. Het gedrup waren we al haast vergeten. Maar de kraan liet zich niet kennen en besloot tot een verhevigd offensief. De druppels, die aanvankelijk met tussenpozen van twee seconden vielen, tikten nu twee maal per seconde in het fonteintje.
We hebben het nog een tijdje met zingen geprobeerd, maar toen we voor de zoveelste keer op galmende toon om bow of burning gold en arrows of desire hadden verzocht, ging de lol er een beetje af. Bovendien begonnen de buren ons te mijden. Er zat niets anders op: het werd tijd om het kraanleertje te vervangen. Op zich geen ramp. Het vervangen van een kraanleertje is immers in een ommezien gefikst.
Ik beschik over een uitstekend gevulde gereedschapskist en in mijn schuurtje staan dozen vol schroeven, moertjes, en spijkers. Kraanleertjes, echter, had ik niet in huis. Gelukkig zit bij ons om de hoek een uitstekende ijzerhandel. Nu was er het vraagstuk van de juiste maat, maar ook dat was snel opgelost. De man van de ijzerhandel toonde me een universeel setje kraanleertjes. 'Hier zitten alle bestaande maten in,' verzekerde hij me.
Thuis legde ik de kraanleertjes op de keukentafel en keek er niet meer naar om. Het druppen van de kraan werd ineens weer draaglijk, de remedie was tenslotte in huis. Ik werd overvallen door een intens gevoel van tevredenheid. Er zou zich vanzelf een geschikt ogenblik aandienen om de klus te klaren, wist ik. Dus gebeurde er dagenlang niets. Nu is mijn echtgenote minder geduldig aangelegd dan ik. Al na een week vroeg ze op dreigende toon wanneer ik dacht die kraan te gaan repareren. Ik mompelde iets over 'hoofdkraan afsluiten', 'afwasmachine loopt nog', 'waterpomptang zoeken', afijn, ik bracht een hele reeks praktische bezwaren in stelling. Het meisje was onvermurwbaar: het moest er maar eens van komen. Het vervangen van een kraanleertje is immers in een ommezien gefikst.
Dus toog ik vanmorgen gewapend met bahco, waterpomptang en kraanleertjes naar het toilet. De kraan was vlug ontmanteld en het duurde ook niet lang om het rotte kraanleertje eruit te wippen. Daarna begonnen de problemen. In mijn setje kraanleertjes, dat alle bestaande maten bevatte, bleek geen enkel leertje te zitten dat paste in onze kraan. Een kwartier lang stond ik te punniken, te peuteren en te persen, maar vergeefs. Met het binnenwerk van de kraan en het oude leertje wandelde ik naar de ijzerhandel, de goden dankend dat ik de klus tot na het weekend had uitgesteld.
Bij het zien van mijn kraanleertje krabde de man van de ijzerwinkel zich peinzend op het achterhoofd. Daarna begon hij te grutten in laden vol rubberen ringetjes. Na vijf minuten greep hij er een dik boek bij waarin, naar ik begreep, alle bestaanbare kraanleertjes stonden. Na lang bladeren schudde hij treurig het hoofd. Mijn kraanleertje bestond niet. De oplossing was simpel: ik moest maar een nieuwe kraan kopen. Ik zocht een kraan uit die leek op het oude kraantje. Voor de zekerheid vroeg ik de man of de schroefdraad universeel was. 'Oh ja,' zei de man. 'Da's halfduims. Past altijd.' Hij keek erbij of ik de domste vraag ter wereld stelde. Thuisgekomen begon ik met het losdraaien van de oude kraan. Al snel bleek dat de schroefdraad van de nieuwe kraan weliswaar universeel was, maar die van de oude kraan niet. Zelden heeft u mij zo zien zieden.
Met de kranen wandelde ik terug naar de ijzerhandel. De man achter de balie zag en begreep. 'Oh, da's drie-achtste duims.' Even was ik bang dat hij zou zeggen dat het een Engelse maat was. Dat doen ze altijd, die ijzerwinkelmannen. Als ze iets niet op voorraad hebben zeggen ze dat het een Engelse maat is. Maar aan mijn blik moet de man gezien hebben dat ik de bahco nog in mijn vestzak had en niet zou aarzelen om hem te gebruiken. 'Drie-achtste heb ik niet op voorraad,' zei hij dan ook, terwijl hij rommelde in een rek vol roestvrijstalen ringen.
'Heb je een verloopstukje?' vroeg ik, want ik mag graag doen of ik verstand van zaken heb. 'We hebben wel een reduceernippel, ja.' Dat is nog zo'n nare eigenschap van ijzerwinkelmannen: dat onthutsende dédain waarmee ze de goedbedoelende leek te woord staan. Ik zou me kunnen troosten met de gedachte dat zo'n vent ook geen sikkepit begrijpt van mijn werk. Helaas krijg ik nooit de gelegenheid om hem dat in te peperen. De man viste een reduceernippel uit het rek. Nog eens drie euro lichter wandelde ik naar huis. Daar was de klus snel geklaard. Na wat gepiel met teflontape en een paar krachtige slagen met de waterpomptang hing er boven ons fonteintje een glimmende nieuwe kraan. Tevreden kroop ik in de meterkast en opende de hoofdkraan. Dat was nog even schrikken, want in mijn ijver was ik vergeten te controleren of de nieuwe kraan wel dichtgedraaid was. Ik overbrugde de zes voet tussen meterkast en toilet en wist nog juist voor het fonteintje overstroomde de kraan te sluiten. Maar toen was de kraan dan ook dicht. Écht dicht.
Ik zette een kop koffie en zakte onderuit op de bank. Mission accomplished. Maar pas op hè! De eerstvolgende die tegen me zegt dat het vervangen van een kraanleertje in een ommezien gefikst is krijgt een bahco tussen de ogen. En de volgende keer dat er bij ons in huis een kraan begint te lekken zal ik minder geduldig zijn. Dan kopen we gewoon een nieuw huis.
De PimMatTM

Linkse vrienden, daar kun je beter soep van koken. In de afgelopen jaren heeft het progressieve kamp de sandaal ingeruild voor de wandelschoen. Het moet gezegd: sindsdien is de visite een stuk frisser gaan ruiken, zolang ze hun schoenen aanhouden tenminste. Maar, om een willekeurige voetballegende te citeren, 'elk voordeel hep z'n nadeel'.
Zo hebben alle goede wandelschoenen stoere profielzolen. Bij het wandelen kan zo'n profielzool heel handig zijn. Met het grootste gemak beweeg je je voort over steile berghellingen, modderige paadjes en besneeuwde rotspartijen. Er moet heel wat gebeuren voor je op je snufferd glijdt. De wandelschoen met profielzool is als het ware de terreinwagen van links Nederland.
Nu weet je waarschijnlijk dat terreinwagens nauwelijks worden gebruikt voor hun eigenlijke doel. SUV's zijn de luxespeeltjes van patsers, pooiers en proleten. Dat soort lieden waagt zich over het algemeen niet ver van de gebaande paden - er mocht eens een kras op de lak komen! Nee, de SUV wordt gebruikt voor het woon-werkverkeer, de dagelijkse boodschappen en het naar school brengen van de kroost.
Met de wandelschoen is het niet veel anders. Het leeuwedeel van de wandelschoendragers wordt maar zelden gesignaleerd in de vrije natuur. In het beste geval hebben ze juist een wandeling gemaakt door de moerassen rond de Naardermeer, maar meestal beperken ze zich tot de stedelijke trottoirs, die (bij ons in Hilversum, althans) tevens dienst doen als hondenuitlaatstrook.
Dergelijke expedities mogen dan in het niet vallen bij - laten we zeggen - een beklimming van de Annapurna, ze laten wel degelijk hun sporen achter onder de profielzolen van de goedbedoelende wandelaar. Aldus kan het gebeuren dat, iedere keer dat ik visite krijg (al mijn vrienden zijn links en wandelschoendragend), mijn keurig aangeveegde parketvloer al na twintig minuten vol ligt met grote klonten modder - of erger.
Ik ben dol op visite. Echt waar. Mijn idee van geluk is een gezellige avond met goede vrienden aan de keukentafel. Mi koelkast es su koelkast. Maar vrienden, vergeef me, ik zou het nog veel gezelliger vinden als jullie een keer behoorlijk jullie voeten zouden vegen.
Hoe laat je linkse vrienden hun voeten vegen? Het is een interessant vraagstuk. Ik heb er lang over moeten nadenken. Op een middag in de zomer van 2002 belegde ik een brainstormsessie met wandelvriend Thijs. De oplossing was snel gevonden: de PimMat. Om allerlei redenen (wetten, praktische bezwaren) ben ik er nooit toe gekomen om de PimMat daadwerkelijk in productie te nemen.
Gelukkig heb ik vrienden die niet alleen links, maar ook praktisch ingesteld zijn. Vrienden die een goed idee zien voor wat het waard is en het uitvoeren. Vandaag presenteerde mijn goede vriendin Jans me het eerste exemplaar* van de PimMat. Ontwaakt, verworpenen der aarde! Nu kan heel Nederland politiek correct zijn voeten vegen. Janneke, bedankt, zelden heb ik zo'n prachtig verjaardagscadeau gekregen.
*) De PimMat wordt binnenkort commercieel verkrijgbaar en is bij ondergetekende te bestellen. Copycats beware: het copyright op de PimMat wordt bewaakt met kogels van links.
Schoon genoeg
Zoals ieder verstandig mens heb ik een hekel aan opruimen en schoonmaken. Het is niet dat een fris en opgeruimd huis me tegenstaat - au contraire - nee, het is de activiteit van het opruimen en schoonmaken zelf die ik liefst zo lang mogelijk uitstel.
Vroeger was dat eenvoudig. Ik woonde op mezelf en liet de boel naar hartelust verslonzen. Mijn kamer zag eruit alsof er niet één, maar veertien vrijgezellen in leefden. In een kamer van twaalf vierkante meter houd je zoiets niet lang vol. Al na vier jaar besloot ik dat het genoeg was en verhuisde.
Ik nam mijn intrek in een studentenhuis in De Baarsjes. Dat hielp maar even. Al snel bleken mijn huisgenoten - mannen, uiteraard - net zulke smeerpoetsen als ikzelf. Tweeënhalf jaar lang leefden we gemoedelijk tussen stof, vuil, lege flessen en al maar groter wordende stapels pizzadozen. Toen sloeg de liefde toe.
Er kon natuurlijk geen sprake van zijn dat ik mijn vriendin uitnodigde om in ons studentenhuis de nacht te komen doorbrengen. Ik was dan wel een viespeuk en een rommelkont, mijn grip op de realiteit was ik nog niet helemaal kwijt. Dien ten gevolge bracht ik steeds meer tijd door in haar flatje aan de Haarlemmerdijk. De beslissing om te gaan samenwonen was snel genomen.
Dat vergde wel een zekere aanpassing van mijn kant. Tot dan toe was ik gewend om mijn rotzooi te laten slingeren en de afwas te negeren. Maar mijn vriendin bleek niet zo'n hoge tolerantie voor troep en vuiligheid te hebben als ikzelf.
Nu zijn vrouwen meesters in verbale communicatie - onderling althans. Je hoeft maar een telefoongesprek tussen twee hartsvriendinnen te beluisteren en je weet wat ik bedoel. Iedere kleinigheid wordt breed uitgemeten, van alle kanten tegen het licht gehouden, er wordt gewikt en gewogen en net als je denkt dat er echt niets meer te bespreken valt, wordt er een ander onderwerp aangesneden en begint het hele spel opnieuw.
Hoe anders is dat wanneer vrouwen met mannen proberen te communiceren. Dan blijken ze ineens te beschikken over een heel scala aan non-verbale methodes. Van een man wordt verwacht dat hij al deze signalen, hoe miniem ook, feilloos oppikt, filtert, analyseert en er de juiste conclusies uit trekt.
Er zijn me gevallen bekend van mannen die deze techniek, na 37 jaar huwelijk, aardig onder de knie beginnen te krijgen. Maar zelf was ik, zeker in de begintijd van onze relatie, een hopeloos geval. Er moest dan ook geregeld verbaal geweld aan te pas komen voor ik op het idee kwam om te gaan stofzuigen, de ramen te lappen of de WC te schrobben.
Gaandeweg heb ik geleerd om de signalen van mijn vrouw beter, of in elk geval sneller, te interpreteren. Tegenwoordig lijkt het soms wel alsof ik zélf het initiatief neem om te gaan opruimen. Dat wil niet zeggen dat ik huishoudelijk werk leuker ben gaan vinden of er zelfs maar het nut van inzie. Het is alleen de vrees voor het alternatief die me tot daden aanspoort.
Gisteren was het weer eens zover. De keuken stond vol vuile vaat, de huiskamer lag vol oude kranten en het spinrag hing in dikke draden van het plafond. Vanuit mijn ooghoeken zag ik het meisje af en toe opkijken uit haar lectuur en een misprijzende blik op de rommel werpen. Het was tijd voor maatregelen, zoveel was duidelijk. 'Zullen we de boel even opruimen?', stelde ik voor - en ik deed mijn uiterste best om het zo achteloos mogelijk te laten klinken.
Na een paar uur koortsachtige activiteit was het huis aan kant. De kamer was gestofzuigd, de lege flessen en het oud papier waren weggebracht en de vaatwasser deed zacht zoemend zijn stichtende werk. We strekten ons behaaglijk uit op het bankstel en knipten de televisie aan.
Na een half uur kreeg ik trek in een pilsje en trok een pijpje Brand uit de koelkast. Een kwartier later besloot het meisje om chocolademelk te gaan maken. Nog eens dertig minuten later kreeg ik honger en viste de laatste augurk uit het potje. De film op televisie begon wat te vervelen, dus verdiepte ik me in de zaterdagbijlage van de krant.
Vanmorgen stommelde ik naar beneden om mijn eerste kop koffie te zetten. De huiskamer, die er een paar uur eerder nog zo keurig bij had gelegen, lag vol met stukken krant. Op het fornuis stond een pannetje met aangekoekte resten chocomel en op de aanrecht stonden de eerste lege flessen, het augurkenpotje en de vuile vaat van gisteravond.
Op dat soort momenten voel ik een soort frustratie - nee: een soort moedeloosheid over me komen. De boel aan kant maken is één ding, de boel netjes houden is iets heel anders. Laten we het beestje maar bij z'n naam noemen: opruimen is onbegonnen werk.
Maar voorwaar, ik zeg u: een dezer dagen ruim ik de boel definitief op. En als alles, maar dan ook alles op z'n plek staat, als alles is afgewassen en als het huis zo glimt en blinkt dat je er, bij wijze van spreken, de koningin zou kunnen ontvangen, dan zeg ik BASTA!
Vanaf dat moment worden er bij ons in huis geen kranten meer gelezen, er worden geen boodschappen meer gedaan, er wordt niet meer gegeten en niet meer gedronken. Zoiets houd je niet lang vol, natuurlijk. Al na een paar maanden zullen de buren lont gaan ruiken (of ergere dingen), en uiteindelijk zal de politie in de huiskamer onze skeletten vinden.
Maar voor de dienstdoende agenten zal het in elk geval een opluchting zijn dat onze ontzielde lichamen niet worden aangetroffen onder de enorme berg rotzooi, die in dat soort gevallen obligaat schijnt te zijn. Opgeruimd staat netjes.
Een stekelig dilemma

Terwijl ik over de schutting een praatje maak met buurman G. valt mijn oog op een wespennest, dat aan het dak van onze tuinschuur hangt. Het is zo groot als een galia-meloen, het moet er dus al een tijdje hangen. 'Ja dat klopt, ja', beaamt G. 'We zitten er al een maand naar te kijken.' Mooi is dat.
Ik staar somber broedend naar het nest, maar buurman G. (een onuitputtelijke bron van goede raad) komt al meteen met een suggestie. 'Je moet gewoon je vinger in dat gaatsje steken', zegt hij, wijzend op een gat in het nest waar grote hoeveelheden wespen in- en uitvliegen. 'Na verloop van tijd wordt-ie zo dik dat ze d'r niet meer uit kunnen.' En schaterend verdwijnt hij in zijn eigen tuinschuurtje. (Klik voor de rest!)
A dirty job

Als ik de plannen van de gemeente moet geloven staat ons straatje op de nominatie om tot monument te worden gebombardeerd*. Dat is op zich niet onterecht - huisjes uit de jaren twintig hebben zonder meer hun charmes. Maar er kleven ook nadelen aan. Zo is daar de kwestie van de afvoerput.
Van de 'natte cellen' in onze woning loost alleen de WC rechtstreeks op het riool. De afvoer van de badkamer en de keuken loopt naar een grindput in de achtertuin. In zo'n grindput verdwijnt niet alleen water: ook alles wat in relatief vaste vorm door de gootsteen wordt gespoeld belandt erin, dus eens in de zoveel tijd is de put vol. Proefondervindelijk hebben we vastgesteld dat je die zaak vier jaar op z'n beloop kunt laten. Maar niet langer.
De afgelopen tijd functioneerde het doucheputje maar matig. Als de wasmachine draaide ontstond er een klein moeras in de achtertuin. Na het scheren bleef er nog tien minuten een laagje water met baardstoppels in de wastafel staan. Dat werd zelfs mij te gortig. Er moest iets gebeuren, dat was duidelijk, maar omdat ik ben opgegroeid in huizen zonder grindput had ik geen idee wat.

Gelukkig weet buurman G. in dat soort gevallen raad, dus toen ik hem over de schutting om advies vroeg kwam hij snel met een panklare oplossing. 'Scheppen!' Uiteraard. Dat ik daar zelf niet aan gedacht had. Naast goede raad beschikt buurman G. over een tuinschuurtje waarin hij een heel arsenaal aan exotische gereedschappen bewaart. Uit dat schuurtje haalde hij een Oudhollandse putjesschep tevoorschijn. Hij glunderde erbij.
Het was zaterdagmiddag, het zonnetje scheen en het meisje was naar de stad om kleren te kopen. Kortom: het ijzer was heet. Ik stroopte mijn mouwen op en begon met het verwijderen van de dikke laag tegels en bakstenen waarmee we de put hebben afgedekt. Dat was geen seconde te vroeg. In mijn leven heb ik de nodige ranzige dingen gezien maar hier was ik niet op voorbereid. Griezelt u even mee?

Het bleek dat de put tot aan het deksel was gevuld met een vettige grauwbruine brei, waarin nog vaag etensresten te herkennen waren. Aan het deksel zelf hadden zich lange stalactieten van dezelfde substantie gevormd. Het geheel verspreidde een aroma dat het midden hield tussen rottende tulpenkoppen en de geur van een vuilcontainer die te lang in de mediterrane zon heeft gestaan. Ik pakte buurmans Oudhollandse putjesschep en roerde besluiteloos in de drab. Daar werd de situatie niet beter van.
Wat nu? Ik leunde even tegen de gevel om uit te puffen en twee keer te kokhalzen. Buurman G. schaterde en riep goed bedoelde adviezen over de schutting. Mijn andere buurman, buurman J., sloot ijlings de tuindeuren en nam met vrouw en kind de wijk naar het zwembad. Na twee minuten filosoferen kwam ik tot de slotsom dat de put zichzelf niet zou legen. Ik haalde diep adem - maar niet te diep - en begon aan het karwei.
Het legen van een verstopte grindput is een leerzame ervaring. Zo weet ik nu dat de inhoud globaal in drie lagen te verdelen is. De bovenste laag is een dunne smurrie van rotte etensresten. De details zal ik u besparen, maar het is interessant om te weten dat de mosterdzaadjes uit vier jaar lege augurkenpotten nog allemaal intact waren**. De tweede laag is crèmewit en bestaat, naar ik vermoed, voor 80% uit dode huidcellen en voor 20% uit haar. De onderste laag, tenslotte, is zwarte bagger. Over de samenstelling van die bagger wil ik liever niet nadenken.

En dan is er de fauna. In de put krioelden beesten die, volgens de heersende zoölogische opvattingen, allang uitgestorven behoren te zijn. Trilobieten, sponzen, zeeschorpioenen, allemaal levend en wel. Verder kwam van onder het putdeksel een vuistgrote spin tevoorschijn, die in de oerwouden van Brazilië niet zou misstaan.
Al scheppend overdacht ik de wonderen van de schepping, en al snel sloeg ik geen acht meer op de viezigheid. Maar aan alle mooie dingen komt een eind. Tweeënhalf uur en vier emmers later was de put leeg en stroomde het water weer ongehinderd door de afvoer. Dat was maar goed ook, want ik was hard aan een douche toe.
Op de lagere school had ik een onderwijzer die ons, wanneer we tijdens de les niet opletten, een carrière als putjesschepper in het vooruitzicht stelde. De man was een oliebol zonder weerga, maar ik ben blij dat ik tenminste die ene keer naar hem geluisterd heb.
*) Lees: 'staat ons straatje misschien op de nominatie om eventueel in aanmerking te komen voor de status van straatje dat wellicht ooit tot potentieel toekomstig monument zal worden gebombardeerd'. U begrijpt: bij de huiseigenaren zit de schrik er stevig in.
**) Hetgeen een heel nieuw licht werpt op Matteüs 17:20 etc.
Hilversum, tweede paasdag
Kom es gauw naar boven? Dit klopt niet hoor, d'r staat hier beslist wat in de fik.
Beuh...
In Huize Ko, lezertjes, heerst een typisch geval van eindejaarslethargie. Op bevel van mijn chef heb ik de laatste anderhalve week van het jaar vrij genomen. Nu is er niks mis met een vrije dag, maar in deze tijd van het jaar heb je er maar weinig aan. Al was het maar omdat iedere vrije seconde meteen wordt ingepikt door (schoon-)familie en vrienden.
Zoals ieder jaar heb ik geprobeerd om het feit dat ik tussen kerst en nieuwjaar vrij ben zo lang mogelijk geheim te houden. Ook dit jaar weer vergeefs. Een weekje wandelen langs de Poolse Oostzeekust? Kerst bij schoonmoeder zul je bedoelen. Een lang weekend Terschelling? Op en neer naar Albert Heijn voor een paar kutboodschappen. Een midweek in Normandië? Nee hoor, we hangen gewoon katerig op de bank in afwachting van het zoveelste feestje. Zelfs de poes is met geen mogelijkheid uit de vensterbank te branden.
Basta! Volgend jaar neem ik mijn vakantie gewoon in de lente, zoals ieder normaal mens. En niet met pasen, nee.
Braaf

Het is zover. Ik ben voor in de dertig. Ik ben vier jaar getrouwd. Ik heb een rijtjeshuis en een tweedehands Japanner. Ik tuinier. En daarin sta ik niet alleen: op feestjes bij oude vrienden wordt voornamelijk over baby's, verbouwingen en hypotheken gepraat. En iedereen gaat bijtijds naar huis.
Zaterdag ben ik met het meisje naar een meubelboulevard geweest. En gisteren zaten we aan de keukentafel de spaarpunten van de koffie en de scharrelslager te tellen. Ik schrok er zelf van. Het is duidelijk: er is een kritieke grens bereikt. Wil iemand me wakker schudden voor ik een caravan koop?
|
|
|