Hyperlinks weblog
Open deurbeleid
'Het vermoeden bestaat dat de schietpartij een criminele achtergrond heeft.'

Als ik op een nieuwsredactie werkte, zou ik degene die een dergelijke zin opschreef eens duchtig tuchtigen. Het is de Moeder van Alle Overbodige Mededelingen. Er vanuit gaande dat het niet toegestaan is om a.) een wapen te bezitten en b.) op iemand te schieten heeft een schietpartij immers per definitie een criminele achtergrond.

Moet ik echt alles uitleggen?

Tegenstrijdigheid
Niet dat de zaak me een bal interesseert, maar de volgende zin is een juweeltje:

'De rechter vindt dat de streaker kon weten dat De Leeuw onvoorspelbaar gedrag vertoont.' (Teletekst)

Noodzakelijke neologismen (3)
Een woord dat ik in het Nederlands bijna elke dag mis is 'overhoren'. Natuurlijk bestaat dat woord wel in de Nederlandse taal, maar dan alleen in de betekenis van '(het geleerde) ter controle laten opschrijven of opzeggen' of '(personen) een toets afnemen over het geleerde' (Van Dale).

Waar ik op doel is het Engelse werkwoord to overhear, zoals in de zin 'I overheard a conversation'. In het Nederlands bestaat voor dat woord geen sluitende vertaling. Je kunt een gesprek be- of zelfs afluisteren, maar dat vereist een actieve, soms zelfs bemoeizuchtige houding. Aan de andere kant kun je een gesprek opvangen, maar dat gebeurt zonder de licht belangstellende deelname die to overhear suggereert.

In mijn dagelijkse conversatie gebruik ik dan ook geregeld het anglicisme 'overhoren': 'in de lift overhoorde ik een gesprek tussen twee collega's' of 'bij Ikea overhoorde ik een ruzie tussen twee echtelieden van middelbare leeftijd'. Stilletjes hoop ik dat vrienden, familieleden en collega's mijn taalfout overnemen, zodat hij misschien al in de volgende druk van Van Dale kan worden opgenomen.

Aan de slag, mensen!

Dure woorden
Na bijna twaalf jaar bij een groot Amerikaans bedrijf dacht ik eerlijk gezegd dat ik alle buzzwords wel kende. Maar kijk, zelfs ik leer nog wel eens iets nieuws. Zo kreeg ik afgelopen week een mailtje van [ongeveer] de volgende strekking:

'Setting up the test environment you require would seem cost-prohibitive, especially if dedicated servers are needed in both.'

Cost-prohibitive. Die uitdrukking had ik dus nog nooit gehoord. Of ik heb nooit opgelet, dat kan ook. Ze zouden natuurlijk kunnen zeggen dat het 'too expensive' is. Maar is cost-prohibitive eigenlijk niet veel fraaier? In elk geval denk ik dat ik 'm erin houd. De poëtische mogelijkheden zijn eindeloos. Stel je bijvoorbeeld de volgende treurige ballade voor:

Polly is a pretty thing
With whom I'd like to live
But buying her a diamond ring
Is cost-prohibitive...


Als je zulke dure woorden kent heb je toch geen diamanten meer nodig?

Deze kende ik nog niet...
'Wij vragen u een keus te maken uit één van de volgende mogelijkheden.'

(Nuon Klantenservice)

Bijbelstudie
'Zeg mij wie uw vrienden zijn, en ik zal u zeggen wie gij zijt.' Dat klinkt verleidelijk eenvoudig, maar ik daag je uit. Mijn vriendenkring bestaat uit een allegaartje van biologen, bankwerkers, journalisten, junkies, poëten, politici, wetenschappers en werklozen. Maar één ding hebben ze bijna allemaal gemeen: ze zijn niet gelovig. Onder al mijn vrienden loopt maar één belijdend protestant rond, en die komt alleen voor uitvaarten in de kerk.

Met de bijbelkennis van mijn vrienden is het dien ten gevolge treurig gesteld. Het scheppingsverhaal en de zondeval, de geboorte en dood van Jezus, de zondvloed en zo hier en daar een gebod, dan heb je het wel gehad. Maar er is één bijbelfragment dat ze stuk voor stuk met griezelige precisie kunnen reciteren - en dat doen ze dan ook graag. Uiteraard is het een fragment van erotische aard:

'Uw beide borsten zijn als tweeling-jongen van gazellen, die te midden van de leliën weiden.' (Hooglied 4:5).

Bovenstaand fragment komt uit de NBG-vertaling 1951, de meest algemene vertaling, voor zover ik weet. In de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) die in 2004 verscheen staat het als volgt:

'Je borsten zijn als kalfjes, als de tweeling van een gazelle, die tussen de lelies weidt.'

Dat is een nogal boude vergelijking. Als zich op de borsten van mijn partner hoorns of een geweitje zouden aftekenen, zou ik haar terstond verkopen aan het circus. Ik moet er dan ook van uitgaan dat hier sprake is van een dichterlijke vrijheid. Maar laten we, nu we toch bezig zijn, de tekst nog eens nader onder de loep nemen.

Zoals je ziet is er tussen 1951 en 2004 nogal wat veranderd. Aan de verschillen tussen beide fragmenten zou je een aantal opmerkelijke sociologische conclusies kunnen verbinden:

1. De gewoonte om de geliefde te vousvoyeren is ergens tussen 1951 en 2004 verloren gegaan. We zullen dit maar beschouwen als een symptoom van de algehele zedenverwildering die in de loop van diezelfde jaren heeft toegeslagen.

2. In de NBG-vertaling zijn de tweeling-jongen afkomstig van 'gazellen', niet, zoals de NBV beweert, van 'een gazelle'. Vermoedelijk heeft de NBG-versie het hier bij het rechte eind. Immers: er vanuit gaande dat onbevlekte ontvangenis een verschijnsel is dat zich voornamelijk bij mosselen, bepaalde haaiensoorten en (in uitzonderlijke gevallen) bij mensen voordoet, komt aan de verwekking van tweeling-jongen altijd meer dan één gazelle te pas.

Nu kan het zo zijn dat het met de huwelijkse trouw van deze gazellen treurig gesteld is, of dat Pa Gazelle bij het weiden tussen de leliën gegrepen is door een hongerige leeuw, maar daarover wordt niets vermeld. Het is dan ook wat voorbarig van de NBV-vertalers om meteen maar uit te gaan van een één-oudergezin, al kan ter verdediging worden aangevoerd dat de makers van de Statenvertaling er al in 1635 net zo over dachten. Laten we de Statenvertaling er dus eens bijpakken:

'Uwe twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van eene ree, die onder de leliën weiden.'

Hier doet zich iets wonderlijks voor. Blijkbaar hebben zich sinds 1635 niet alleen sociologische, maar ook zoölogische veranderingen voorgedaan.

In de eerste plaats lijkt het mij zeer de vraag of reeën welpen werpen. Dat doen ze mijns inziens niet, en naar ik meen was dat ook in 1635 niet het geval. Welpen worden over het algemeen geworpen door leeuwen, tijgers of wolven, en geloof me, zodra die ergens een ree ontwaren komt er van dat hele geweid tussen de leliën weinig meer terecht. Dat wordt rennen geblazen.

Bovendien moet worden vastgesteld dat de reeën uit 1635 in de 20e eeuw ineens gazellen zijn geworden. Waarschijnlijk is dat correct: het verspreidingsgebied van het Europese ree (Capreolus capreolus) strekt zich uit tot in Syrië en Noord-Irak, maar zuidelijker komt het ree niet voor. Vermoedelijk gaat het in de brontekst van het Hooglied dan ook om de dorcasgazelle (Gazella dorcas), die nog altijd in Israël voorkomt.

Dat is een storende fout in de Statenbijbel. Als je geroepen bent om op last van de hoog-mogende heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden alle de canonieke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments te vertalen, dan mogen we toch op z'n minst verwachten dat je een gazelle van een ree kunt onderscheiden. Toegegeven: in de Vulgaat, de Latijnse vertaling die door het Vaticaan wordt gehanteerd, is ook sprake van 'capreae', van reeën dus. Maar als het de bedoeling was geweest om de fouten van de roomse kerk klakkeloos over te nemen, hadden ze die hele Reformatie net zo goed achterwege kunnen laten.

Verder heeft zich sinds de 17e eeuw een opmerkelijke verschuiving voorgedaan in de rolverdeling van de weidende reeën. In de Statenbijbel wordt door een subtiel onderscheid tussen enkel- en meervoud (tweelingen van eene ree, die onder de leliën weiden) duidelijk dat het de jonge reeën zijn, en niet de moeder, die onder de leliën weiden. Moeder is blijkbaar even met iets anders bezig. Vermoedelijk staat ze op leeuwen, tijgers of wolven te letten. Maar wat zien we bij de bestudering van de 20e-eeuwse teksten? Enkel- en meervoud zijn rücksichtslos overboord gezet.

In de NBG-vertaling wordt gesproken over 'tweeling-jongen van gazellen, die te midden van de leliën weiden' en in de NBV is sprake van 'de tweeling van een gazelle, die tussen de lelies weidt'. Ja hoor eens, wie weidt hier nu? De tweeling(en) of de gazelle(n)? Je zou kunnen aanvoeren dat de komma erop duidt dat het om de jongen gaat, maar weet jij het zeker? In de 17e eeuw hadden ze misschien hun hoefdieren niet allemaal op een rijtje, maar over het weiden lieten ze in elk geval geen misverstand bestaan.

Tot slot lijkt het me nuttig om even in te gaan op het agrarische aspect van de zaak. In mijn jeugd verdiende ik af en toe een centje bij in de bloembollenteelt, en zodoende weet ik het nodige van lelies. Ik heb lelies gekopt, lelies gerooid, leliebollen geplozen en zelfs tussen de leliën gewied. Nu gebeurde dit meestal in de kop van Noord-Holland, waar reeën niet of nauwelijks voorkomen. Ik heb dan ook nog nooit een ree tussen de leliën zien weiden, laat staan een gazelle. Wel heb ik eens meegemaakt dat een veehouder per abuis zijn hek liet openstaan. De gevolgen laten zich raden: niet veel later stonden er twintig koeien tussen onze leliën te weiden.

Gelukkig hebben de schrijvers van het Hooglied zoiets nooit beleefd. Stel je voor dat de bruidegom zijn geliefde had toegevoegd dat haar borsten waren 'als twintig koeien, die tussen de leliën weiden'. Niet alleen had hij dat huwelijk dan wel op zijn buik kunnen schrijven, ook denk ik dat we het in het Oude Testament zonder het Hooglied hadden moeten stellen.

Exodus 20 ve's 12
Een missionaris met een Gooise R
Was bij de kannibalen populair.
Ze zeiden (al ruimschoots voor hun bekering):
"Wat lekker is, dat halen we van ver."

En toch belandde deze vrome man
Niet aanstonds in de klaargezette pan,
Want menseneters hebben veel waardering
Voor iemand die de R niet zeggen kan.

Nog altijd ligt hij niet tussen zes planken
En dat is aan zijn spraakgebrek te danken:
De inboorlingen waren veel te blij

Dat hij, geheel volgens lokale mode,
Bij het behandelen der tien geboden
Steeds "Ee't uw vade' en uw moede'" zei.

Opzoeken!



Ik ben geen lichtgelovig iemand. Als iemand iets zegt neem ik dat niet voetstoots aan. Sterker: over het algemeen ben ik geneigd om iedere mededeling, hoe triviaal ook, stante pede te controleren. Dat kan heel vermoeiend zijn, bijvoorbeeld op feestjes, waar je het ene merkwaardige verhaal na het andere hoort, terwijl er niet altijd voldoende naslagwerken voorhanden zijn. Mijn vrienden weten dat inmiddels. Weliswaar nodigen ze me nog uit voor hun feestjes, maar bij binnenkomst word ik vlug met een goeie fles wijn in de studeerkamer geposteerd. Af en toe sturen ze iemand naar binnen om iets onwaarschijnlijks tegen me te zeggen, dat ik dan meteen kan opzoeken. Zo heb ik ook een leuke avond.

Door iedere mededeling op die manier te toetsen, heb ik in de loop der jaren een encyclopedische kennis van nutteloze feiten en feitjes verworven. Maar soms slipt er weleens een feitje doorheen. Neem nu het geval van de Schreierstoren. Jarenlang heb ik geloofd dat die aan zijn naam is gekomen doordat zeelieden er door hun huilende vrouwen werden uitgezwaaid. Als ik me niet vergis heb ik dat zelfs op school geleerd. Desondanks heb ik nooit de moeite genomen om het verhaal te controleren. Het is immers een heel plausibele geschiedenis.

Plausibel maar onjuist. Niet lang geleden wandelde ik langs de Prins Hendrikkade naar het Centraal. Aan de gevel van de Schreierstoren, zag ik, was zo'n poepbruin ANWB-bordje bevestigd, waarop informatie over het monument te lezen was. Normaal gesproken negeer ik die bordjes: de schaarse informatie die erop staat heb ik natuurlijk allang opgezocht. Maar dit keer - ik had tijd over - was ik benieuwd of het aardige verhaal over die zeemansvrouwen ook werd vermeld. Nee dus. 'De naam van de toren', stond er op het bordje, 'is afgeleid van het feit dat de stadsmuur op deze plek een scherpe (scrayer) hoek maakte.'

Dat is een heel wat prozaïscher geschiedenis. En dat is jammer. Maar wat me werkelijk frustreert is dat ik dat verhaal van die huilende vrouwen twintig jaar lang geloofd heb. Dat ik nooit eens heb nagekeken of het waar was. En dat terwijl een kind weet dat namen van plaatsen of gebouwen niet altijd met de werkelijkheid overeenstemmen. Om dat te zien hoef je alleen maar op Gein uit de metro te stappen.

NASCHRIFT: Het is nog erger dan ik dacht. Geert Mak schrijft in Een kleine geschiedenis van Amsterdam het volgende: 'Of de Schreierstoren - waarvan de naam overigens niets te maken heeft met snikkende zeemansvrouwen, maar alles met de 'schreye' (scherpe) hoek waarin het ding gebouwd is.' Dat boek heb ik toch al elf jaar geleden gelezen, maar op de een of andere manier is dit feitje niet blijven hangen. Merkwaardig.

Mañana-mechanisme
Stelling: het feit dat het woord esperar in het Spaans zowel 'wachten' als 'hopen' betekent zegt meer over de Spaanse volksaard dan tien reisgidsen bij elkaar.

Meteorolinguïstiek
Bijna een jaar geleden schreef ik een stukje over de populaire mythe dat eskimo's (pardon, Inuit) tientallen verschillende woorden kennen voor sneeuw. Destijds relativeerde ik het verhaal door erop te wijzen dat we in het Nederlands meer dan 300 verschillende woorden hebben voor water.

Het is januari en de prunus, de hazelaar en de krentenboompjes staan in bloei. De berken, elzen en wilgen zitten vol katjes. De eerste vogels zitten al op de eieren en zojuist zag ik tijdens een zware windstoot mijn rolcontainer het luchtruim verkiezen. Ik heb 'An Inconvenient Truth' gezien, ik weet hoe laat het is. Het klimaat is op niet mis te verstane wijze aan het veranderen.

Het kan niet anders of dat moet gevolgen hebben voor de sneeuw in het noordpoolgebied. En daarmee voor de woordenschat van de Inuit. De invloed van het broeikaseffect op het aantal woorden voor sneeuw is moeilijk te voorspellen. De meest voor de hand liggende hypothese is dat een flink deel van die woorden gaat uitsterven. Maar er kunnen tientallen jaren overheen gaan voor het zover is.

Vermoedelijk zal het aantal woorden voor sneeuw eerst juist een licht stijgende tendens vertonen. De Inuit, inventief als ze zijn, zullen een flink aantal neologismen bedenken om de veranderende omstandigheden adequaat te omschrijven:

sluslukflupiuk (slappe bruine blubber waarvan je sneeuwscooter onder je kont wegroest)

splotslofsopulaq (ontdooide permafrost die tot diep in je bontgevoerde laarzen doordringt)

flut (een natte sneeuwbui waar de husky's geen brood van lusten)

De klimaatverandering biedt een ongekende mogelijkheid voor socio-linguïstisch onderzoek. Naast meteorologen en geografen moeten we dus onverwijld een flink aantal taalkundigen en antropologen naar het hoge noorden sturen. Parallel aan dat onderzoek zouden ze zich in Nederland kunnen storten op de vraag of ons aantal woorden voor water toe- of juist afneemt. Een linguïst op lieslaarzen, dat zie je niet elke dag. We leven in een mooie tijd.

Noodzakelijke neologismen (2)
Het weerbericht voorspelde onstuimig weer, gistermorgen. Ik houd van onstuimig weer. Ik houd ook van het woord onstuimig. Het werkt op mijn lachspieren. Vooral de gedachte dat je, desgewenst, ook stuimig zou kunnen zijn, is hilarisch. 'De agent complimenteerde de chauffeur met zijn stuimige rijgedrag.' Beter nog: 'Het demonteren van een vliegtuigbom eist, naast vakkennis, de grootst mogelijke stuimigheid.' Ziedaar twee woorden die onze taal ontbeert.

Zo heb ik me ook wel eens afgevraagd hoe het zit met beschoftheid. Goed: we weten allemaal wat ónbeschoftheid is. Maar is onbeschoftheid het tegendeel van beschoftheid? Eens kijken... 'Een goed diplomaat weet, zelfs tegen staatshoofden van vijandige mogendheden, altijd de nodige beschoftheid in acht te nemen.' Hmmm. Nog een poging: 'De ouders van Marie-Cécile beschouwden Jan-Jaap als een goede partij. Niet alleen was hij jong, knap en vermogend, ook was hij een voortreffelijk causeur en toonde hij zich in gezelschap uitermate beschoft.' Nee. Ik denk niet dat dat gaat werken.

Maar goed, ik had het over het weer. Temidden van de door het KNMI beloofde onstuimigheid stond ik gisteravond te schuilen bij station Zuid-WTC. Het ging er ruig aan toe. De slagregens schoven als gordijnen tussen de torens van het wereldhandelscentrum door. Forensen probeerden driftig hun binnenstebuiten geblazen paraplu's weer in het gareel te krijgen. Het was blusterig weer, vond ik.

Blusterig. Het Engels kent het woord blustery: 'blustery wind' of 'blustery showers'. Zelfs zonder de exacte betekenis [stormachtig, winderig] van het woord te kennen weet je meteen wat het betekent. Een nuttig woord. Maar het Nederlands - ik zeg het niet graag - blijft in gebreke. Ik heb het opgezocht in Van Dale. Tussen 'blusstof' en 'blustoestel' gaapt een leegte. Een leegte die, wat mij betreft, niet vlug genoeg kan worden gevuld. Door het onomatopeïsche* karakter van het woord is het ook voor nieuwe Nederlanders makkelijk te onthouden: 'Ies blusterig vandaag menier, ja?'

Lezers, ik weet niet wanneer de volgende druk van Van Dale verschijnt, maar als we met z'n allen ons best doen moet het mogelijk zijn om het woord 'blusterig' aan de Nederlandse taal toe te voegen. Ik val aan, volg mij.

*) Ik kom in de verleiding om me af te vragen of onomatopeïsch het tegendeel is van omatopeïsch, maar omwille van uw en mijn geestelijke gezondheid laat ik dat onderwerp liever rusten.

Trivia voor gevorderden



Wist u dat een springkasteel in het Duits een Hüpfburg wordt genoemd? Nee? Nu wel.

(Zit al de hele morgen zachtjes te spinnen van de pret.)

[Sic!]
Op de nieuwssite van RTV Noord-Holland:

Een korte geschiedenis van de tijd
Wat is 'tijd'? Dat is een interessante vraag waarover filosofen, natuurkundigen, astronomen, linguïsten, spoorwegbeambten en mijn chef zich al jaren druk maken. En gezien het feit dat niemand tot dusverre met een panklare definitie van het begrip 'tijd' op de proppen is gekomen hoef ik dat ook niet te doen. Al zou, gegeven mijn financiële omstandigheden, een Nobelprijs best welkom zijn. Dit terzijde.

Tijd is een abstractie. U gelooft mij niet? Goed. Laat ik u het volgende voorbeeld aan de hand doen. Op mijn toilet hangt een scheurkalender - de taalkalender van het Genootschap Onze Taal. De gelukkige bezitter van de kalender mag iedere dag een nieuwe taalvraag beantwoorden. De vraag van vandaag is: 'Wat betekent tempo doeloe?'

Nu weet iedere geletterde Nederlander wat tempo doeloe betekent. Maar als we de term etymologisch gaan bekijken wordt het interessant. Doeloe (of dulu) is een oorspronkelijk Maleis woord voor 'vroeger'. Het woord tempo (tijd) is uit het Portugees overgenomen. Tot zover niks aan de hand. Maleis, Bahasa Indonesia, Bahasa Malaysia (etcetera) zijn immers contacttalen, die zijn ontstaan uit de vermenging van verschillende talen.

Maar de kalender gaat verder: 'De Indonesië-specialist Peter Schumacher meldt overigens dat jonge Indonesiërs de uitdrukking [tempo doeloe] niet meer in deze vorm kennen en zaman dulu zeggen. Zaman betekent eveneens tijd.' Dat is frappant, want van een vakantie in het verre Turkije herinner ik me nog dat het woord voor 'tijd' ook daar zaman is*. 'Bu otobüs ne zaman kalkar?**' - 'Deze autobus wat tijd vertrekt?'

Vermoedelijk behoeft het geen betoog dat deze kennis dateert van mijn eerste vakantie in Turkije. Tijdens die vakantie, namelijk, leerde ik dat het antwoord onveranderlijk 'Beş dakika, arkadaş!' (Vijf minuten, vriend!) luidt en dat het onveranderlijk niet waar is. In dat laatste bijzinnetje schuilt misschien wel de kern van mijn betoog.

Als de Turkse en Indonesische woorden voor tijd dezelfde zijn, dan is de kans groot dat beide talen uit een gemeenschappelijk vaatje tappen. En dat vaatje is vermoedelijk het Arabisch. Ik heb het opgezocht en verdomd: het Arabische woord voor 'tijd' is zaman.

Hier dringt zich een verleidelijke hypothese op. Als zowel het Turks als het Bahasa Indonesia voor 'tijd' een leenwoord moeten gebruiken, is het dan misschien mogelijk dat - althans, ten oosten van de Bosporus - de Arabieren de eersten waren die de tijd als een abstractie benoemden? In elk geval waren de oude Arabieren meesters in het abstraheren. Algebra is niet voor niets een Arabische term.

Maar mogen we nu concluderen dat het begrip 'tijd' als zodanig niet bestond op de Indische archipel en op de steppen van Centraal-Azië? Zo ja, dan denk ik dat ik mijn ideale vakantiebestemmingen gevonden heb. Zonder prikklokken, zonder polshorloges en zonder scheurkalenders. Heerlijk.

*) Het Turks kent voor tijd ook nog het woord vakit, maar dat wordt, voor zover ik begrijp, meestal in een bijvoeglijke constructie gebruikt.

**) Ik houd hier een slag om de arm, het zou best nog wel eens krom Turks kunnen zijn. In elk geval werd het begrepen. For all that's worth.

Kein Witz
Soms is de werkelijkheid vreemder dan je je kunt voorstellen. Zo zat ik vanmorgen met een Oostenrijkse collega over de wedstrijd van gisteren te chatten. 'Und Freitag geht's gegen Côte d'Ivoire', schreef ik. 'Oder wie nennt man das auf Deutsch? Elfenbeinküste?'

Een hele goeie grap, vond ik zelf, en ik verwachtte een antwoord in die strekking.

'Ja genau', schreef ze.

Daar zijn woorden voor
Op onze WC hangt nu voor het tweede achtereenvolgende jaar de Taalkalender van het Genootschap Onze Taal. En halverwege het tweede jaar weet ik al zeker dat ik er volgend jaar wéér een wil. Dit jaar wordt er iedere maandag een stelling onder de loep genomen, en op 8 mei was het de beurt aan de stelling dat gezellig een onvertaalbaar woord is.

Nu, daar kunnen we kort over zijn: gezellig is inderdaad onvertaalbaar, hoewel er, zoals bekend, buitenlandse woorden zijn die een eind in de richting komen. Naast gezellig verwijst de kalender nog naar een aantal andere onvertaalbare woorden, die zijn verzameld in het boek They have a word for it* van de Amerikaanse auteur Howard Rheingold. Dat boek ga ik eerdaags maar eens aanschaffen, want het lijkt me goed voor uren dolle pret.

Zo is er het Chinese woord Koro voor de 'hysterische overtuiging dat je penis steeds kleiner wordt'. Of wat te denken van het Indonesische kekaku, 'wakker worden uit een nachtmerrie'?

Onze oosterburen zijn zeer bedreven in het bedenken van woorden waarvoor in andere talen een hele zin nodig zou zijn. Zo kent het Duits prachtige woorden als Treppenwitz ('clever remark that comes to mind when it is too late to utter it'), Schlimmbesserung ('a so-called improvement that makes things worse') en Torschlüsspanik ('the frantic anxiety experienced by unmarried women as they race against the 'biological clock'').

En er is het 'moeilijkst te vertalen woord ter wereld', gekozen door een groep van duizend taalkundigen. Dat woord is Ilunga, het komt uit het Tshiluba, een taal die in het zuidoosten van Congo gesproken wordt, en het betekent 'a person who is ready to forgive any abuse for the first time, to tolerate it a second time, but never a third time'.

Ook wij Nederlanders zijn in het boek vertegenwoordigd. Met het onvertaalbare gezellig, uiteraard, maar ook met het woord uitwaaien. Ik had er nooit bij stilgestaan dat uitwaaien een onvertaalbaar woord is, maar bij nadere beschouwing kan ik me inderdaad niet voorstellen dat het in een andere taal bestaat. Dat blijkt al uit de Engelse vertaling, die haast een beetje verbijsterd aandoet: 'walking in windy weather for fun'. Nee. Zoiets doen ze in andere landen niet.

*) In het Nederlands verschenen onder de titel Koro.

Noodzakelijke neologismen (1)
Iemand die woedend is heeft een aanval van woede. Okee, tot dusverre kunnen we meekomen. Maar waarom bestaat er geen woord als ziede? Bijvoorbeeld in zinnen als: 'In een aanval van blinde ziede sloegen de padvinders de poffertjeskraam kort en klein.'? Naar mijn mening moet ziede, als zelfstandig naamwoord, per ommegaande aan onze taal worden toegevoegd.

Expatois
Het begon een jaar of vijftien geleden. Het begon, om precies te zijn, met de Ierse pubs. Nou waren er in die tijd nog niet zo achterlijk veel Ierse pubs in Amsterdam: Mulligans, The Blarney Stone en Tara, dan had je het zo'n beetje gehad. Ik woonde nog niet zo lang in de stad en beging in zo'n etablissement de vergissing om in het Nederlands een biertje te bestellen. Het meisje achter de bar keek me niet begrijpend aan.

Ik begreep dat de kroegbazen niet alleen het bier en het meubilair, maar ook het complete personeel, ja, zelfs de clientèle uit Ierland hadden geïmporteerd, en dat de voertaal in de pub dus Engels was. Nu, als dat het spelletje was wilde ik best meespelen. Ik glimlachte en plaatste mijn bestelling in het Engels. Ik had er zelfs aardigheid in: het verleende een zekere authenticiteit aan de Ierse-pub-ervaring, alsof je op vakantie was in eigen land.

Het bleef niet bij de pubs: een paar jaar later waren de avondwinkels aan de beurt. Op een dinsdag stommelde ik een avondzaak binnen om een paar biertjes en een tros bananen. Achter de kassa zat een puisterige jongen met een kamerbreed Australisch accent. Er stond een lange rij en die rij schoot niet erg op. De jongen sprak geen woord Nederlands; iedere transactie ging gepaard met veel gebarentaal en hulpeloos gestamel. Ik beschouwde het als een incident, maar al snel was er in het hele centrum geen avondwinkel meer te vinden waar je met Nederlands terechtkon.

In de loop van de jaren negentig greep het expat-virus snel om zich heen. Broodjeszaken, tankstations, modewinkels en kapsalons gingen als dominostenen omver. Het aantal 'Ierse' pubs in de hoofdstad steeg explosief. Niet zelden werd een klassieke, door de tijd getekende Amsterdamse kroeg rücksichtslos gesloopt en vervangen door een dertien-in-een-dozijn prefab-pub. Dit alles ten behoeve van luie toeristen en expats, die ook in den vreemde hun lauwe bier, hun sponzige frites-met-azijn en hun eeuwige doperwtjes niet konden missen.

In 1999 kreeg mijn afdeling een Engelstalige manager. Een Brit. Nu was dat op zich niets bijzonders. We werkten voor een internationaal bedrijf en we werden geacht om een mondje Engels te spreken. Maar onze manager woonde en werkte al een kwart eeuw (vijfentwintig jaar!) in Nederland. En hij verrekte het om tijdens afdelingsmeetings of werkbesprekingen Nederlands te spreken.

Hij was onze taal niet helemaal onmachtig - de beledigingen die we achter zijn rug sisten verstond hij feilloos. Daarnaast kon hij zich min of meer verstaanbaar maken in een soort Nederlands van eigen vinding, dat ik voor het gemak maar Expatois zal noemen. Maar dat reserveerde hij voor jubilea, pensioneringen en andere feestelijke gelegenheden, wanneer hij, tot grote hilariteit van alle aanwezigen (en vooral van hemzelf), toespraken hield in zijn eigen koeterwaals. Ik heb overplaatsing gevraagd en gekregen.

Sinds 2000 is het hek helemaal van de dam. Iedere sector van het bedrijfsleven wordt in rap tempo overgenomen door expats uit Groot-Brittannië, Ierland, de VS, Australië en zelfs Zuid-Afrika. Ze spreken geen woord Nederlands, weigeren de taal te leren, sturen hun kinderen naar Engelstalige scholen en sluiten zich op in Engelstalige ghetto's. U denkt dat ik overdrijf? Maak dan voor de grap eens een wandelingetje door het centrum van Wassenaar. In elke willekeurige achterstandswijk wordt meer - en beter - Nederlands gesproken.

Verleden week is de limiet bereikt. Ik liep een warme bakker binnen en vroeg om een half gesneden grof volkoren. Het meisje achter de toonbank, een Amerikaanse, viel me paniekerig in de rede: 'Hold it, hold it, I don't speak any Dutch!' Even stond ik in dubio. Ik kon natuurlijk proberen om in het Engels een half gesneden grof volkoren te bestellen. (Hoe deed je dat eigenlijk? A half cut rude wholemeal? A half sliced rough fullcorn?) Ik kon me ook op mijn hielen omdraaien en met slaande deur vertrekken. Ik deed het laatste en ging naar de supermarkt.

Met mijn mandje vol boodschappen sloot ik aan bij de rij voor de kassa. De caissière was een bevallig Marokkaans meisje, compleet met hoofddoekje, dat me in accentloos Nederlands vroeg of ik een bonuskaart bezat en luchtmijlen beliefde. En terwijl ze mijn boodschappen over de scanner haalde hield ze even stil, met de zak boerderijdrop in haar hand, en keek me met een brede glimlach aan. 'Oôh,' zei ze, 'ik heb ook zin in drop!'

Dat kunnen wij beter
In 1911 schreef de Duitse antropoloog Franz Boas dat de Noord-Amerikaanse Inuït vier verschillende woorden voor sneeuw hebben. Boas probeerde hiermee aan te tonen dat de Inuït uit vier verschillende groepen bestaan.

Het verhaal werd opgepikt door de Amerikaanse taalkundige Benjamin Lee Whorf, die het gebruikte als bewijsmateriaal voor zijn overtuiging dat de belevingswereld van een individu bepaald wordt door de taal die hij tot zijn beschikking heeft. (Het is natuurlijk andersom, dat is betrekkelijk eenvoudig aan te tonen. Hoeveel woorden denkt u dat het Maleis kent voor 'schaatsen'?)

Het verhaal werd ongekend populair. In snel opeenvolgende versies bleef het aantal woorden dat Inuït voor sneeuw zouden hebben stijgen, soms met tientallen per keer. Er ontstond als het ware een - hm - sneeuwbaleffect. Tegenwoordig is het 'sneeuwwoordenverhaal' zo bekend dat het zelfs een eigen Wikipedia-lemma heeft, en ook op dit blog kwam het al eens aan de orde.

Het moest maar eens uit wezen. In het Inuït mogen dan tientallen woorden bestaan voor sneeuw, gisteren las ik dat in de dikke Van Dale meer dan 300 verschillende woorden staan voor water.

We hebben het hier trouwens alleen over woordsamenstellingen die eindigen op -water. Als we er woorden als zee, meer, regen, plas, gracht, sloot en al hun samenstellingen bij gaan trekken, dan loopt het getal op tot in het oneindige.

Je zou natuurlijk - en terecht - kunnen stellen dat sneeuw ook een vorm van water is, maar ik geef die arme eskimo's graag een sportieve kans.

Het is weer kwetsuur!
Je kent ze wel: van die woorden die, als je de klemtoon een beetje verkeerd legt, ineens iets heel anders lijken te betekenen. Bommeldingen is een mooi voorbeeld, natuurlijk. Of kerstomaatje (erg lekker bij de kassalade). En wat te denken van het prachtige dijkramp? Met dat soort onzin kan ik uren zoet zijn.

Stel je dus mijn vreugde voor toen ik ergens een stukje tegenkwam over 'de jonge voetbalster Robin van Persie'.

Met uw welnemen ga ik nu even een kwartiertje ongecontroleerd zitten giechelen.

 
Welkom!

Ko

sophia (Woodlouse blues): Ik was net even de tu…
Huizing (Tien jaar Zwijnen…): Mijn gestoorde pa ,
martine (Goudhaantje): En wat vreet jij wel …
Peter (Woodlouse blues): Heb ze ook al eens ge…
G.Beuker (Woodlouse blues): Ook ik had nog nooit …
Dus (Goudhaantje): Nou gelukkig was het …
timberland nederl… (Wat denken ze eig…): huh! :D
uggs kopen (Eerlijk?): excellent site et la …
anoniem (Goudhaantje): Wat ben jij een versc…
MICHELEHooper30 (NEE is NEE): I propose not to hold…
Categorieën
alledaags leed
alledaags toerisme
alledaagse complotten
alledaagse cultuur
alledaagse ergernissen
alledaagse mijmeringen
alledaagse raadselen
alledaagse repressie
alledaagse roofdieren
alledaagse wereldhistorie
alledaagse wetenschap
alledaagse zen
culinair leed
esthetisch leed
groenbeheer
huiselijk leed
kantoorleed
ketelmuziek
literair leed
meteorologisch leed
mokums leed
onalledaags nieuws
politiek leed
sportief leed
taalkundig leed
technisch leed
vermakelijk leed

Powered by Pivot - 1.40.4: 'Dreadwind' 
XML: RSS Feed 
XML: Atom Feed 

Voeg mijn site toe aan BloglogRSS (http://www.bloglog.nl)